ECLI:NL:RBUTR:2010:BM6755

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
20 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
287389 HA RK 10-205
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 39 lid 4 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kinderrechter in gezagsontheffingsprocedure

Verzoekster heeft bij de rechtbank Utrecht een wrakingsverzoek ingediend tegen kinderrechter mr. X, die betrokken was bij eerdere beslissingen in een procedure over ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van haar minderjarige kind. Zij stelde dat mr. X vooringenomen en partijdig zou zijn, mede vanwege vermeende onregelmatigheden in eerdere beslissingen en de vermeende voorrang die aan andere verzoeken werd gegeven.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet-ontvankelijk was voor het wrakingsverzoek dat gebaseerd was op feiten die langer dan een jaar geleden bekend waren geworden. Voor het overige oordeelde de rechtbank dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor partijdigheid of vooringenomenheid van mr. X. Ook werd geoordeeld dat mr. X niet verantwoordelijk was voor de volgorde van behandeling van verzoeken of de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming.

De rechtbank stelde vast dat verzoekster het wrakingsmiddel zonder deugdelijke grondslag herhaaldelijk gebruikte, wat leidde tot vertraging van de procedure. Daarom werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in deze en samenhangende zaken niet in behandeling wordt genomen. De rechtbank besloot het wrakingsverzoek af te wijzen en de procedure voort te zetten zoals die was opgeschort.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen kinderrechter mr. X wordt afgewezen en verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard voor eerdere wrakingsgronden; toekomstige wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen.

Uitspraak

Beschikking
RECHTBANK UTRECHT
Zaaknummer / rekestnummer: 287389 HA RK 10-205
beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken
van 20 mei 2010
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verder te noemen [verzoekster],
verzoekster,
tegen:
mr. [X],
kinderrechter in de rechtbank Utrecht,
verder te noemen: mr. [X],
verweerster.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij fax aan deze rechtbank van 19 mei 2010 heeft [verzoekster] mr. [X] gewraakt.
1.2. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust.
1.3. Partijen zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 20 mei 2010. De griffier heeft daarbij aan [verzoekster] meegedeeld dat zij er rekening mee diende te houden dat de, eveneens op die dag geplande, mondelinge behandeling van het door de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht ingediende verzoek tot ontheffing van [verzoekster] van het gezag over haar minderjarige kind [minderjarige], doorgang zal vinden indien en zodra de wrakingskamer, aansluitend op de behandeling van het wrakingsverzoek, mondeling uitspraak heeft gedaan.
1.4. De griffier heeft ook Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming van de behandeling van het wrakingsverzoek in kennis gesteld.
1.5. Op 20 mei 2010, direct voorafgaand aan de zitting van de wrakingskamer, heeft [verzoekster] in een e-mail aan de rechtbank aangekondigd niet ter zitting aanwezig te zullen zijn. In deze e-mail heeft [verzoekster] de redenen van haar wrakingsverzoek nader uiteengezet.
1.6. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft vervolgens op voormelde zitting van 20 mei 2010 plaatsgevonden. Daarbij was [verzoekster] niet aanwezig. Mr. [X] verscheen ter zitting, vergezeld van mr. [Y], kinderrechter in de rechtbank Utrecht. Voorts waren aanwezig mevrouw [Z] van Bureau Jeugdzorg en de heer en mevrouw [A], de pleegouders van [minderjarige].
1.7. Na aanvang van de zitting is mr. [X] in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de inhoud van de genoemde e-mail van [verzoekster] van 20 mei 2010. Daartoe is de zitting geschorst. Na hervatting van de zitting heeft mr. [X] haar standpunt toegelicht.
Mr. [X] heeft geconcludeerd dat het wrakingverzoek moet worden afgewezen.
1.8. Hierna heeft de wrakingskamer zich teruggetrokken voor beraad. Daarna is mondeling uitspraak gedaan.
2. De vaststaande feiten
2.1. In de eerdere procedure bij deze rechtbank (met zaaknummer [zaak 1]) is de ondertoezichtstelling (OTS) en uithuisplaatsing van [minderjarige] uitgesproken. Deze maatregelen zijn sindsdien verlengd. Bij enkele van de door de rechtbank Utrecht, sector handels- en familierecht, in deze en daarmee samenhangende zaken (met zaaknummers [zaak 2] en [zaak 3]) genomen beslissingen is mr. [X], als kinderrechter in deze rechtbank, betrokken geweest. Zij was lid van de meervoudige kamer die in of omstreeks januari en mei 2009 beslissingen heeft genomen.
2.2. De procedure met zaaknummer [zaak 4] betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te Utrecht van 19 januari 2010, strekkende tot ontheffing van [verzoekster] van het gezag over haar minderjarige kind [minderjarige] en tot benoeming van Bureau Jeugdzorg Utrecht tot voogd over deze minderjarige. In deze procedure heeft de aanvankelijk op 18 maart 2010 voorziene zitting geen doorgang gevonden, omdat [verzoekster] verhinderd was. Daarna is de mondelinge behandeling van het ontheffingsverzoek gepland op 24 maart 2010. Deze zitting heeft geen doorgang kunnen vinden omdat [verzoekster] een andere kinderrechter in deze rechtbank, mr. [B], had gewraakt. Dit wrakings-verzoek is op 8 april 2010 afgewezen. Daarna is de mondelinge behandeling van het ontheffingsverzoek gepland op 20 mei 2010. Het hieraan voorafgaand op 19 mei 2010 geplande verhoor van [minderjarige] heeft ten gevolge van het ingediende wrakingsverzoek geen doorgang gevonden.
3. Het verzoek en de grondslagen daarvan
3.1. Het verzoek van [verzoekster] strekt ertoe dat de rechtbank haar verzoek tot wraking van mr. [X] gegrond zal verklaren.
3.2. [verzoekster] heeft aan haar verzoek, zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat zich in de eerdere procedure met zaaknummer [zaak 1] feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt en die het vermoeden rechtvaardigen dat mr. [X] vooringenomen en partijdig is. [verzoekster] beroept zich er in het bijzonder op dat de eerdere, in of omstreeks januari en mei 2009 mede door mr. [X] gegeven beslissingen niet overeenkomstig de wettelijke eisen zijn genomen. Voorts stelt [verzoekster] dat de sector handels- en familierecht partijdig is doordat aan de behandeling van verzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming en/of Bureau Jeugdzorg voorrang wordt gegeven boven de behandeling van door haar ingediende verzoeken. Ten slotte beklaagt [verzoekster] zich erover dat de Raad voor de Kinderbescherming niet binnen de gestelde termijn heeft gerapporteerd.
3.3. Mr. [X] heeft zich tegen het wrakingsverzoek verweerd. Het wrakingsverzoek is ongegrond, omdat van vooringenomenheid geen sprake is en zich geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de schijn van partijdigheid kunnen wekken. Voor zover [verzoekster] zich met de genoemde eerdere beslissingen niet heeft kunnen verenigen, had zij daarvan in hoger beroep kunnen komen. Een wrakingsverzoek kan niet leiden tot een herbeoordeling van de zaak. Mr. [X] merkt op dat het voor alle bij de zaak betrokkenen van belang is dat de voortgang van de behandeling van het ontheffingsverzoek en de daarmee samenhangende procedures niet langer door wrakingsverzoeken van [verzoekster] kunnen worden vertraagd.
4. De beoordeling van het verzoek
4.1. In haar bovengenoemde e-mail van 20 mei 2010 heeft [verzoekster] te kennen gegeven alleen mr. [X] te willen wraken, niet tevens de twee andere leden van de meervoudige kamer die op die dag de voorliggende verzoeken zou behandelen. De fax van [verzoekster] van 19 mei 2010, waarin zij ‘de zitting’ van 20 mei 2010 wraakt, is aangemerkt als mede te zijn gericht tegen mr. [Y] voornoemd en tegen mr. [C]. De rechtbank verstaat de
e-mail van [verzoekster] van 20 mei 2010 echter aldus, dat zij het wrakingsverzoek tegen mrs. [Y] en [C] intrekt.
4.2. Voor zover [verzoekster] haar wrakingsverzoek baseert op de vermeende onregelmatigheden die zich bij de in of omstreeks januari en mei 2009 in de OTS-zaak genomen beslissingen zouden hebben voorgedaan, is zij in haar verzoek niet-ontvankelijk. [verzoekster] heeft haar verzoek niet ingediend ten spoedigste nadat aan haar de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die naar haar mening grond vormen om aan de onpartijdigheid van mr. [X] te twijfelen. Een jaar of langer nadien kunnen die feiten of omstandigheden niet met succes aan een wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd.
4.3. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het wrakingsverzoek, voor zover [verzoekster] daarin wèl kan worden ontvangen, de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.4. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv Pro/artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Dit brengt mee dat het aan [verzoekster] is om feiten of omstandigheden te stellen waaruit de (schijn van) partijdigheid van mr. [X] kan blijken. Uit voornoemde e-mail van 20 mei 2010 is niet duidelijk waarop [verzoekster] doelt waar zij stelt dat de rechtbank ten onrechte voorrang geeft aan de behandeling van verzoeken van anderen boven die van haar. Voorts is niet gesteld waarom die voorrang de (on)partijdigheid van mr. [X] raakt. Het is immers niet mr. [X] die de volgorde van de behandeling van verzoeken bepaalt. Mr. [X] staat evenzeer buiten de wijze en de termijn waarop de Raad voor de Kinderbescherming heeft gerapporteerd. Het verzoek wordt daarom in zoverre afgewezen.
4.5. [verzoekster] heeft in korte tijd thans tweemaal de wraking van een rechter verzocht. Het eerste verzoek, gericht tegen mr. [B], is op 8 april 2010 afgewezen. Het tweede verzoek kan evenmin tot wraking leiden. Uit deze gang van zaken leidt de rechtbank af dat [verzoekster] het middel tot wraking bij herhaling zonder deugdelijke grondslag aanwendt. Als gevolg daarvan is de voortgang van de behandeling van onder meer het ontheffingsverzoek van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 januari 2010 vertraagd. [verzoekster] maakt aldus misbruik van het wrakingsmiddel, als bedoeld in artikel 39 lid 4 Rv Pro. Teneinde te voorkomen dat de lopende procedures verdere vertraging ondervinden, zal de rechtbank bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van [verzoekster] in de zaak met zaaknummer [zaak 4] en in de daarmee samenhangende zaken met zaaknummers [zaak 2] en [zaak 3] niet in behandeling wordt genomen.
5. De Beslissing
De rechtbank Utrecht:
5.1. voor zover [verzoekster] zich richt tegen de in 2009 gegeven beslissingen: verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek;
5.2. voor zover [verzoekster] in haar verzoek kan worden ontvangen: wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] af;
5.3. bepaalt dat de zaak moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop de zaak vanwege het wrakingsverzoek werd geschorst;
5.4. bepaalt dat een volgend verzoek van [verzoekster] tot wraking in de zaken met zaaknummers [zaak 4], [zaak 2] en [zaak 3] niet in behandeling wordt genomen;
5.5. draagt de griffier op deze beslissing aan [verzoekster], mr. [X], Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming, alsmede aan de president en de sectorvoorzitter handel en familie van deze rechtbank toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, mr. A.C. van den Boogaard en mr. K.J. Veenstra en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2010, in aanwezigheid van de griffier.