ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9269
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering werknemer op doorbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkeringen na ontbinding arbeidsovereenkomst
De gewezen werknemer was van 1971 tot 1991 in dienst bij ABG en werd in 1991 met een ontbindingsvergoeding ontslagen. Tijdens het dienstverband was een arbeidsongeschiktheidsverzekering ten behoeve van de werknemer afgesloten, waarvan de werkgever de uitkeringen ontving na het ontstaan van arbeidsongeschiktheid in 1989. De werknemer vordert betaling van deze uitkeringen die de werkgever niet aan hem heeft doorbetaald.
De werkgever stelt zich op het standpunt dat de vordering deels verjaard is en dat de ontbindingsvergoeding de inkomensschade compenseert, waardoor de uitkeringen aan haar toekomen. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot betaling van uitkeringen tot en met 2003 verjaard is, maar dat de vordering voor de periode 2004 tot 2008 toewijsbaar is, omdat de ontbindingsvergoeding deze latere uitkeringen niet compenseert.
De kantonrechter wijst de vordering toe tot een bedrag van €41.804,49 plus wettelijke rente vanaf het einde van elk jaar waarin de uitkering is ontvangen. De vordering tot wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. De voorwaardelijke tegeneis van de werkgever wordt eveneens afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De werknemer krijgt betaling van €41.804,49 plus wettelijke rente voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen over 2004-2008 toegewezen.