ECLI:NL:RBUTR:2010:BN4364
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Kennelijk onredelijke opzegging arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen
Eiser trad in april 2006 in dienst bij gedaagde als projectleider. In april 2009 vroeg gedaagde toestemming aan het UWV voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen, welke werd verleend. Het ontslag werd aangezegd per 12 juli 2009. Eiser stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat er geen redelijke financiële vergoeding werd aangeboden en de economische situatie van gedaagde niet ernstig genoeg was. Tevens stelde eiser dat er sprake was van een valse of voorgewende reden en dat hij onvoldoende begeleiding had ontvangen bij het vinden van nieuw werk.
Gedaagde voerde verweer met onder meer het habe-nichts-exceptie en stelde dat er geen passende functie beschikbaar was. Ook werd aangevoerd dat het bedrijf slechte financiële resultaten had en geen ruimte voor vergoeding. De kantonrechter oordeelde dat de valse of voorgewende reden niet was bewezen en dat het ontbreken van een vergoeding op zichzelf niet voldoende is voor kennelijke onredelijkheid. Wel werd geoordeeld dat de werkgever tekort was geschoten in zijn verplichting tot begeleiding en outplacement.
De kantonrechter wees een schadevergoeding toe van €9.500, gelijk aan de kosten van outplacementbegeleiding, en compenseerde de proceskosten zodat elke partij haar eigen kosten draagt. Het ontslag werd verklaard kennelijk onredelijk en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het ontslag is kennelijk onredelijk en gedaagde is veroordeeld tot betaling van €9.500 schadevergoeding wegens gebrek aan begeleiding.