ECLI:NL:RBUTR:2010:BN7289
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigde betaling na vernietiging vonnis in hoger beroep
In deze zaak stond de vraag centraal of een partij die op grond van een vonnis in eerste aanleg een geldsom heeft betaald, na vernietiging van dat vonnis in hoger beroep, in kort geding terugbetaling kan vorderen. De eiseres had een bedrag van ruim EUR 76.000,- betaald aan de gedaagde op basis van een vonnis van 27 februari 2008. Dit vonnis werd op 1 juni 2010 door het Gerechtshof Amsterdam vernietigd, waarna de vorderingen in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak werden afgewezen.
De gedaagde had tegen het arrest cassatieberoep ingesteld, waardoor het arrest nog niet onherroepelijk was. De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak de vordering tot terugbetaling uit onverschuldigde betaling pas ontstaat wanneer het arrest onherroepelijk is geworden. Echter, de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in hoger beroep met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel de vordering tot ongedaanmaking van de prestatie reeds kan worden verbonden aan de vordering tot vernietiging, indien de prestatie nog ongedaan kan worden gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat deze vordering ook in kort geding kan worden ingesteld en dat de eiseres een voldoende spoedeisend belang heeft bij terugbetaling. De omvang van de vordering werd door de gedaagde niet weersproken, en het risico van niet-terugbetaling werd onvoldoende aannemelijk geacht. De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van EUR 83.486,97, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, en wees het overige af.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van EUR 83.486,97 vermeerderd met rente en proceskosten.