ECLI:NL:RBUTR:2010:BO9867

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
30 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16-440541-10 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 511b Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in hennepkwekerijzaak

De rechtbank Utrecht behandelde op 30 november 2010 een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die medeplichtig was aan het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3, onder B, van de Opiumwet. De zaak betrof werkzaamheden verricht ten behoeve van de teelt van hennep in de periode van 2 juni tot en met 11 augustus 2009 te Vianen.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de veroordeelde niet is verschenen, ondanks behoorlijke oproeping. De officier van justitie voerde de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan, gebaseerd op het strafdossier en het proces-verbaal van berekening van het voordeel.

De veroordeelde verklaarde dat hij geen geld had ontvangen voor zijn werkzaamheden in de kwekerij. Gezien de inhoud van het procesdossier kon de rechtbank niet vaststellen dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel had genoten. Daarom wees de rechtbank de vordering van de officier van justitie af.

De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht, bestaande uit de rechters A. Wassing (voorzitter), J. Ebbens en S. Wijna, en uitgesproken in aanwezigheid van griffier A.J. Reitsma.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/440541-10 (ontneming)
beslissing van de rechtbank d.d. 30 november 2010
in de ontnemingszaak tegen
[verdachte],
geboren 1959 te [geboorteplaats],
niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
- het strafdossier onder parketnummer 16/440541-10 waaruit blijkt dat veroordeelde op 30 november 2010 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht is veroordeeld
terzake van het medeplichtig zijn aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, tot de in die uitspraak vermelde straf;
- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;
- de overige stukken.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord.
De veroordeelde is behoorlijk opgeroepen naar niet ter terechtzitting verschenen.
2 De beoordeling
Dat veroordeelde op een tijdstip in de periode van 2 juni 2009 tot en met 11 augustus 2009 te Vianen opzettelijk behulpzaam is geweest, door voor onbekend gebleven persoon/personen, werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de teelt/het kweken van hennep, blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen opgenomen in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht van 30 november 2010.
Veroordeelde heeft verklaard dat ‘[A]’ hem geen geld heeft betaald voor het helpen in de kwekerij. Gelet op de inhoud van het procesdossier kan niet worden vastgesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.
3 De beslissing
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie d.d. 25 oktober 2010, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A. Wassing, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.J. Reitsma en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 november 2010.