ECLI:NL:RBUTR:2011:BP2599
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onredelijk bezwarend beding in contract over tussentijdse beëindiging en vergoeding
In deze zaak stond de redelijkheid van een contractuele bepaling centraal die bepaalt dat de klant bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst een vergoeding van 60% van de resterende maandtermijnen aan Proximedia verschuldigd is. De kantonrechter overwoog dat aan de kleine ondernemer, die materieel niet of nauwelijks van een consument te onderscheiden is, bescherming toekomt via de open norm van artikel 6:233a BW en de zogenaamde "grijze lijst" waaronder artikel 6:237 sub i BW Pro valt.
Proximedia bracht bewijs aan dat de vergoeding redelijk zou zijn, onder meer door een kostprijsberekening en getuigenverklaringen. De kostprijs werd afgeschreven over 48 maanden en bedroeg ongeveer 37% van de maandelijkse termijn. De kantonrechter concludeerde dat de vergoeding van 60% van de resterende termijnen niet redelijk is, mede omdat Proximedia onvoldoende aannemelijk maakte dat alle kosten daadwerkelijk direct aan het contract toe te rekenen zijn en dat de waarde van terugontvangen apparatuur niet is meegenomen.
De kantonrechter vernietigde daarom het beding voor zover het de vergoeding van 60% voorschrijft en oordeelde dat dit deel van de overeenkomst niet is overeengekomen. De vorderingen van eiser tot terugbetaling van reeds betaalde termijnen en incassokosten werden afgewezen, evenals de vordering van Proximedia tot betaling van achterstallige termijnen na opzegging en de verbrekingsvergoeding. De proceskosten werden gecompenseerd omdat partijen deels in het ongelijk zijn gesteld.
Uitkomst: Het beding dat 60% vergoeding bij tussentijdse beëindiging voorschrijft is onredelijk bezwarend en gedeeltelijk vernietigd; vorderingen van partijen worden afgewezen en proceskosten gecompenseerd.