ECLI:NL:RBUTR:2011:BT6206
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in zaak grensoverschrijdend gedrag tegen Aartsbisdom Utrecht
De rechtbank Utrecht behandelde een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in een civiele zaak waarin verzoeker stelt slachtoffer te zijn van grensoverschrijdend gedrag door een pastoor in dienst van het Aartsbisdom Utrecht. Verzoeker wil met het getuigenverhoor zijn proceskansen inschatten voor een mogelijke bodemprocedure op grond van onrechtmatige daad en werkgeversaansprakelijkheid.
Hoewel het vermeende misbruik dateert uit de jaren zeventig en de vordering volgens artikel 3:310 lid 4 BW Pro verjaard is, overweegt de rechtbank dat verjaring in uitzonderlijke gevallen op grond van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing kan worden gelaten. Daarbij weegt mee de bijzondere maatschappelijke positie van het Aartsbisdom en het advies van de Commissie Lindenbergh om bij toepassing van hun regeling geen beroep te doen op verjaring.
Het Aartsbisdom maakte bezwaar tegen het horen van de aartsbisschop, maar de rechtbank acht het aannemelijk dat deze relevante verklaringen kan geven. De rechtbank wijst het verzoek toe onder voorwaarden, benoemt een rechter-commissaris voor het verhoor en geeft aanwijzingen over de procedurele afwikkeling van het getuigenverhoor.
De beschikking benadrukt dat het voorlopig getuigenverhoor dient om feiten vast te stellen en de proceskansen te beoordelen, zonder dat in dit stadium wordt geoordeeld over de verjaring. De rechtbank acht het verzoek voldoende onderbouwd en ziet geen strijd met de goede procesorde of misbruik van bevoegdheid.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen ondanks verjaring, met benoeming van rechter-commissaris voor het verhoor.