Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV0394

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
5 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11.1329
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot dwangakkoord faillisementswet afgewezen wegens slechts één schuldeiser

De rechtbank Utrecht behandelde een verzoek van eiseres tot vaststelling van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. Eiseres had een schuld van €156.020,- bij één schuldeiser, de Belastingdienst, en had twee voorstellen tot schuldregeling gedaan die door de schuldeiser waren afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat het karakter van een dwangakkoord vereist dat er meer dan één schuldeiser betrokken is, omdat het systeem van de Faillissementswet uitgaat van meerderheden van schuldeisers die minderheden kunnen dwingen tot instemming. Een akkoord is geen gewone vaststellingsovereenkomst tussen één schuldenaar en één schuldeiser.

Daarom is het verzoek van eiseres niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor een dwangakkoord met slechts één schuldeiser. De procedure voor schuldsanering zal apart worden behandeld.

De uitspraak benadrukt het belang van het onderscheid tussen contractsvrijheid en de uitzonderingspositie van artikel 287a Fw, dat specifiek ziet op schuldregelingen met meerdere schuldeisers. Het vonnis werd gewezen door mr. R.J. Verschoof en op 5 januari 2012 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord werd niet-ontvankelijk verklaard omdat slechts één schuldeiser betrokken was.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer: 11.1329
uitspraakdatum: 5 januari 2012
dwangakkoord
enkelvoudige kamer
in de zaak van
[eiseres],
geboren op [1979] te [geboorteplaats],
wonende [adres], [woonplaats],
hierna te noemen: [eiseres],
tegen
BELASTINGDIENST/OOST-BRABANT, KANTOOR ‘S-HERTOGENBOSCH,
gevestigd te ‘s Hertogenbosch,
hierna te noemen: de Belastingdienst,
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 1 november 2011 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.);
- het op 20 december 2011 plaatsgevonden telefonisch contact tussen mevrouw A. van den Toorn, schuldhulpverlener van de Afdeling schuldhulpverlening van Dienst Werk en Inkomen van gemeente Utrecht en mr. Ö. Duran, gerechtssecretaris van de afdeling Insolventie van deze rechtbank;
- het op 21 december 2011 verstuurde oproepbrieven naar [eiseres], de Belastingdienst en mevrouw van den Toorn voor de behandeling van het verzoekschrift tot het vaststellen van een dwangakkoord;
- het op 5 januari 2011 plaatsgevonden telefonisch contact tussen een medewerker van de Afdeling schuldhulpverlening van Dienst Werk en Inkomen van gemeente Utrecht en mr. Ö. Duran, gerechtssecretaris van de afdeling Insolventie van deze rechtbank en het telefonisch contact tussen een medewerker van de Belastingdienst ’s Hertogenbosch en mr. Ö. Duran met de mededeling dat de beslissing op het verzoekschrift tot het vaststellen van een dwangakkoord zonder zitting zal volgen.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2. De feiten
De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.
2.1. [eiseres] heeft een totale schuld van € 156.020,- aan één schuldeiser, te weten de Belastingdienst.
2.2. [eiseres] heeft op 23 december 2010 en 15 juli 2011 een akkoord aangeboden aan haar schuldeiser. Dit akkoord houdt - samengevat – in dat hij gedurende 36 maanden haar afloscapaciteit reserveert, waarbij de reservering jaarlijks wordt uitbetaald aan de schuldeiser. Zijn afloscapaciteit berekend met behulp van de recofa-methode. Het resultaat is een uitkering van ongeveer 18,70% aan de schuldeiser.
2.3. Op 21 februari 2011 heeft de Belastindienst aangegeven niet akkoord te gaan met de aangeboden regeling van 23 december 2010. Met betrekking tot de aangeboden regeling van 15 juli 2011 heeft de Belastingdienst telefonisch aangegeven niet akkoord te gaan.
3. Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord
3.1. [eiseres] heeft in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht de Belastingdienst te bevelen in te stemmen met de onder 2.2. bedoelde schuldregeling. [eiseres] heeft met behulp van de schuldhulpverlener meerdere verzoeken gedaan aan de Belastingdienst om akkoord te gaan met de aangeboden schuldregeling, maar zonder resultaat.
4. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord
4.1. Artikel 287a Fw. maakt het mogelijk dat de rechter een buitengerechtelijk, onderhands akkoord oplegt door de weigerende schuldeiser(s) te bevelen in te stemmen. Essentieel voor het karakter van een akkoord is dat er, naast de schuldenaar, meer dan één schuldeiser bij betrokken is. Dit blijkt uit het systeem van de Faillissementswet. In elk van de daarin opgenomen insolventieregelingen is sprake van meerderheden van schuldeisers die minderheden tot instemming kunnen dwingen. Dit blijkt ook aan de overvloed van jurisprudentie (voornamelijk in kort geding) over het afdwingen van minnelijke akkoorden waarin steevast sprake is van een ‘dwarsliggende’ minderheid van de schuldeisers die volgens de eisende schuldenaar tot een andere opstelling moet worden gebracht. Een akkoord is niet een vaststellingsovereenkomst die partijen ter beëindiging van hun geschil in volle vrijheid met elkaar kunnen aangaan. In het onderhavige geval is de Belastingdienst de enige schuldeiser van [eiseres]. Het is aan beide partijen of zij met elkaar een vaststellingsovereenkomst sluiten over deze vordering; geen andere partij is daarbij betrokken. Ons recht kent het algemene beginsel van contractsvrijheid. Artikel 287a Fw. vormt een uitzondering op dat beginsel. Dat noopt tot een beperkte uitleg van de reikwijdte van dat wetsartikel. Het wetsartikel ziet op schuldregelingen (akkoorden), waartoe niet behoort de vaststellingsovereenkomst tussen één schuldenaar en diens enige schuldeiser. [eiseres]s verzoek kan daardoor niet op artikel 287a Fw. worden gegrond. Bij gebreke van enige andere wettelijke grondslag, is hij in dat verzoek niet-ontvankelijk.
4.3. Het verzoek tot toepassing van de schuldsanering zal op een afzonderlijke rechtbankzitting behandeld worden, waarvoor [eiseres] een oproep zal ontvangen.
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2012.