ECLI:NL:RBUTR:2012:BV2532
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot verbod strafrechtelijke ontruiming kraakpand
De zaak betreft een kort geding waarin eiser, bewoner van een gekraakt pand, de Staat verbood om strafrechtelijke ontruiming toe te passen zolang niet door de strafrechter was vastgesteld dat zijn verblijf wederrechtelijk was en een individuele belangenafweging had plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat de ontruimingsbevoegdheid op grond van artikel 551a Sv. en de beleidsregels van het College van procureurs-generaal niet in strijd is met het EVRM. De termijn van zeven dagen voor het starten van een kort geding wordt als voldoende rechtsbescherming beschouwd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat aannemelijk heeft gemaakt dat het pand wederrechtelijk werd bewoond en dat het gebruik als kantoor- en vergaderruimte door de eigenaar plaatsvond. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden en bezwaren zijn onvoldoende om ontruiming te verbieden.
De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de strafrechtelijke ontruiming proportioneel is. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot verbod op strafrechtelijke ontruiming wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.