ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3667

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
9 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/600687-11 [P]
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 285 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak huiselijk geweld, veroordeling bedreiging ex-vrouw met gevangenisstraf

De rechtbank Utrecht behandelde op 9 februari 2012 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van meerdere feiten van huiselijk geweld tegen zijn ex-vrouw. De tenlastelegging omvatte pogingen tot zwaar lichamelijk letsel, mishandeling en bedreiging met de dood.

Na beoordeling van het bewijs oordeelde de rechtbank dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig was voor de mishandelingsfeiten. De verklaringen van het slachtoffer en getuigen werden niet voldoende ondersteund door medisch bewijs of andere objectieve gegevens. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van deze feiten.

Voor de bedreiging op 5 november 2011 met de woorden “Ik ga je vermoorden” achtte de rechtbank het bewijs wel overtuigend, mede ondersteund door een getuige die het telefoongesprek bevestigde. Verdachte werd daarom veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte en de impact van zijn gedrag op het slachtoffer en hun dochter. Gezien de ernst van de bedreiging legde de rechtbank een gevangenisstraf van 10 dagen op, waarbij de tijd in voorarrest in mindering werd gebracht. Een contactverbod werd niet opgelegd vanwege de wens van beide ouders tot omgang met hun dochter.

De uitspraak benadrukt het belang van fatsoenlijke omgang tussen ouders in het belang van het kind en veroordeelt bedreigingen die gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling en veroordeeld tot 10 dagen gevangenisstraf voor bedreiging van zijn ex-vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/600687-11 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 februari 2012
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1975] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats] aan de [adres].
Raadsman: mr. Y. Moskowicz, advocaat te Utrecht.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: [slachtoffer] op 6 juli 2011 heeft gepoogd zwaar lichamelijk letsel toe te
brengen danwel heeft mishandeld;
feit 2 en 3: [slachtoffer] op respectievelijk 6 juli 2011 en 9 juli 2011 heeft
mishandeld;
feit 4: [slachtoffer] op 5 november 2011 heeft bedreigd met de dood.
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder
1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair en 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten nu de aangifte van de betreffende feiten onvoldoende zou worden ondersteund door overig bewijsmateriaal.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde
[slachtoffer] heeft in haar aangifte en aanvullende verklaringen bij de politie en als getuige ter terechtzitting d.d. 26 januari 2012 verklaard dat verdachte haar keel op
6 juli 2011 heeft dichtgeknepen en haar diezelfde dag tegen haar benen heeft geschopt dan wel geslagen. Deze vermeende incidenten zijn respectievelijk onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 ten laste gelegd. Op 9 juli 2011 zou verdachte [slachtoffer] in haar gezicht hebben gepakt en haar vervolgens met haar hoofd meermalen tegen een muur hebben geslagen, hetgeen onder 3 ten laste is gelegd.
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voornoemde aangifte en de aanvullende verklaringen van aangeefster onvoldoende ondersteund worden door overig bewijsmateriaal.
In het dossier bevindt zich weliswaar een medische verklaring d.d. 11 november 2011, maar deze medische verklaring geeft onvoldoende specifiek steun aan de verklaring van aangeefster ten aanzien van voornoemde feiten. Weliswaar blijkt uit de medische verklaring dat aangeefster met haar huisarts heeft gesproken over huiselijk geweld, maar dat zag op een periode in 2009, ruim voor de tenlastegelegde periode.
Aangeefster heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde bij de politie een aantal foto’s overlegd, waarop blauwe plekken op benen en knieën te zien zijn. Nu niet vast is komen te staan wanneer de betreffende foto’s zijn gemaakt en of deze foto’s daadwerkelijk van de benen en knieën van aangeefster zijn genomen, bieden deze foto’s evenmin steunbewijs voor het onder 3 ten laste gelegde.
Verdachte heeft ontkend dat hij voornoemde ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig bewezen hetgeen verdachte onder
1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste is gelegd en zij zal verdachte daarvan vrijspreken.
Overwegingen ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde
[slachtoffer], aangeefster, heeft verklaard dat zij op 5 november 2011 in haar woning te [woonplaats]was toen verdachte haar belde. Tijdens dit gesprek zei hij onder meer tegen haar: “Als je vader zegt dat hij zich er niet mee wil bemoeien, dan sla ik hem in elkaar” en “Ik ga je vermoorden”. Aangeefster voelt zich hierdoor bedreigd.
De zus van aangeefster, [naam] die op dat moment ook in de woning van aangeefster is, bevestigt het voorgaande in een telefoongesprek met de politie. Zij verklaarde dat zij via de speaker van de telefoon hoorde dat verdachte tegen aangeefster zei: “Ik timmer jou en je vader in elkaar en maak je af als je naar beneden komt.”
Bewijsverweer
De verdediging heeft aangevoerd dat het proces-verbaal, waarin de verklaring van voornoemde getuige is opgenomen, niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt, nu
niet kan worden vastgesteld dat de politie daadwerkelijk met deze getuige heeft gesproken.
Nu het een ambtsedig proces-verbaal betreft, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat de betreffende verbalisant daadwerkelijk met voornoemde getuige heeft gesproken. Zij zal voornoemd verweer dan ook verwerpen.
Hoewel waarnemingen van aangeefster en getuige [slachtoffer] niet geheel overeenkomen, is de rechtbank van oordeel dat voornoemde woorden van gelijke dreigende aard en strekking zijn en dat de verklaring van aangeefster daarmee in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaring van de getuige. Ook dit verweer zal de rechtbank daarom verwerpen.
De rechtbank acht, gezien het voorgaande, voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
4.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 5 november 2011 te Amersfoort, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga je vermoorden”.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
5.1 De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:
feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
5.2 De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 49 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer].
6.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak voor de feiten bepleit.
Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat aan verdachte en straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest wordt opgelegd, zijnde 36 dagen. De verdediging heeft bezwaar gemaakt tegen het door de officier van justitie gevorderde contactverbod.
6.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van zijn ex-vrouw, de moeder van zijn dochter. Dergelijke feiten zorgen niet alleen voor gevoelens van angst en onveiligheid het slachtoffer, maar ook binnen de samenleving in het algemeen. Ook in het belang van zijn dochter, zullen verdachte en aangeefster in de toekomst op een fatsoenlijke wijze met elkaar moeten omgaan. Bedreigingen horen daar niet bij. Verdachte heeft gemerkt dat zijn gedrag ook veel problemen heeft veroorzaakt voor zijn dochter. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft wat betreft de persoon van verdachte gelet op het strafblad van verdachte d.d. 24 november 2011, waaruit volgt dat hij al eerder is veroordeeld in verband met soortgelijke feiten.
De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de onder
1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank enkel het onder
4 tenlastegelegde bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen op.
De rechtbank ziet, mede gezien het feit dat er ten aanzien van hun dochter op dit moment nog geen omgangsregeling is overeengekomen terwijl beide ouders dit wel wensen, geen reden om aan verdachte een contactverbod met [slachtoffer] op te leggen.
7 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
8 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het onder 4 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Straalen-Coumou, voorzitter,
mr. L.M.G. de Weerd en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. D.A. Groenevelt-Timmer als griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 februari 2012.