Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
Tijdens de verhoren ter zitting en bij de rechter-commissaris heeft [aangeefster] duidelijk gemaakt waarom ze – hoewel ze zegt door meerdere jongens op 30 april te zijn verkracht – op 5 mei terug is gegaan naar de woning van [medeverdachte 1] en dan zelfs bij aankomst aardig doet tegen een paar van de jongens die haar op 30 april zouden hebben verkracht. Verliefdheid, problemen thuis, de garantie van [medeverdachte 1] dat ze nu echt niets meer hoeft te doen me anderen, en angst om [medeverdachte 1] teleur te stellen zijn redenen die zijzelf noemt. De rechtbank onderscheidt ook mogelijk andere factoren: haar naïviteit zoals haar vriendinnen haar beschrijven, haar beleving van seks als iets wat erbij hoort. Hoewel het zeker rationeel gezien vreemd lijkt dat aangeefster na de gebeurtenissen op 30 april zoals zij die duidt, is teruggegaan op 5 mei, heeft zij daarvoor een verklaring gegeven die niet ongeloofwaardig is. Onbegrijpelijk zoals de verdediging dit heeft genoemd, is niet hetzelfde als ongeloofwaardig, onbetrouwbaar of leugenachtig of niet bestaand. De vergelijking door de deskundige Wolters met de praktijken van loverboys of de situaties rondom huiselijk geweld (battered women syndrome) maken dit duidelijk. De volgende opmerkingen van [aangeefster] ter zitting (weliswaar over een situatie op 5 mei) ondersteunen deze gedachtengang: “Mij verzetten lukte niet. Ik wilde weg van het bed, maar dan duwden ze mij terug. Een had je vast en de ander zat dan in je. (…) Maar op een gegeven moment ben je half bewusteloos. Je ziet het wel en je hoort het wel, maar toch.” En: “ dat ik als robot functioneerde en dat ik mijn gevoel uitschakelde. (…). U vraagt mij of bij dat uitschakelen van het gevoel de alcohol ook van belang is. Nee. Ik bedoel als zoiets gebeurt dan hoor je wel alles, maar op een gegeven moment komt het niet meer binnen”.
Uiteindelijk wordt heel veel van wat aangeefster heeft gezegd bevestigd door de verdachten tezamen. Bijvoorbeeld de aanwezigheid van verdachten, wie ophaalde, het incident rondom de “ [bijnaam] ” op 30 april, het feit dat drie jongens op 30 april op haar zijn gaan liggen, het incident met de vijl/briefopener op 5 mei, wie kwam en wie vertrok op beide dagen, een gescheurd condoom. Het enige wat uiteindelijk door niemand is erkend is de onvrijwilligheid of de dwang bij een op een situaties.
Ook wel is genoemd dat [aangeefster] zo gemakkelijk liegt, bijvoorbeeld tegen haar ouders. Uit het MSN-gesprek van 3 en 4 mei valt af te leiden dat [aangeefster] niet zelf de smoes tegen haar ouders van haar vriendin heeft bedacht.
De rechtbank beschouwt het rapport van de deskundige Wolters niet als een zelfstandig bewijsmiddel maar als een van de weeginstrumenten om de betrouwbaarheid van aangeefster [aangeefster] te toetsen. De rechtbank ziet in de rapportage van deskundige Wolters geen contra-indicatie voor de betrouwbaarheid van aangeefster.
De door de rechter-commissaris aan de deskundige Wolters gestelde vraag naar de betrouwbaarheid van aangeefster acht de rechtbank afdoende beantwoord. De verdediging heeft eerder aangegeven niet de deskundigheid van de deskundige Wolters inzake de vraagstelling noch de juistheid van de vraagstelling te betwisten. Er is wel betoogd dat de deskundige Wolters niet de door de verdediging gewenste vraag is voorgelegd en dat de deskundige Wolters ook niet deskundig zou zijn geweest om die vraag te beantwoorden. Hieronder (c) gaat de rechtbank hierop nader in. De rechtbank merkt nu al op dat de verdediging telkens weer de gewenste vraagstelling aan een deskundige anders formuleren.
De rechtbank beschouwt de reactie door de deskundige Wolters ter zitting en zijn brief voornoemd als een voldoende weerlegging van het commentaar door de heer [X] . Hierbij overweegt de rechtbank ten eerste dat de deskundige Wolters geconfronteerd met het commentaar van de heer [X] nog steeds achter zijn handtekening onder het rapport stond. Ten tweede dat de heer [X] noch de beschikking heeft gehad over de tenlastelegging noch over het dossier en dus alleen heeft gelet op de uiterlijke – en dus niet inhoudelijke - aanwijzingspunten in het rapport van de deskundige Wolters. De rechtbank overweegt ten derde dat het weliswaar klopt dat de deskundige Wolters niet de beschikking over het hele dossier heeft gehad maar dat de meeste verdachten tot dan toe ofwel zich hadden beroepen op hun zwijgrecht, zoals verdachte [verdachte] , of hebben ontkend dat ze aanwezig waren. Dat is alleen anders voor de medeverdachte [medeverdachte 3] die heeft ontkend seksueel contact met aangeefster te hebben gehad, en medeverdachte [medeverdachte 1] die toen deels heeft bevestigd wat aangeefster heeft gezegd en deels heeft ontkend, namelijk zijn eigen aandeel in onvrijwillige seksuele handelingen door hetzij de andere verdachten hetzij door hemzelf. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat Wolters anders bij het schrijven van zijn rapport over de betrouwbaarheid van aangeefster zou hebben gedacht als hij wel de beschikking over de verklaringen van de verdachten zou hebben gehad. Overigens beschikte hij evenmin over andere onderdelen van het dossier, zoals het buurtonderzoek, de resultaten van het forensisch onderzoek (DNA), de resultaten van telecomonderzoek en de verklaringen van andere aangeefsters in deze zaak. De deskundige Wolters vond het zelf geen onoverkomelijk probleem dat hij de opnames van verhoren niet allemaal heeft kunnen beluisteren.
De rechtbank realiseert zich terdege dat de deskundige Wolters heef gerapporteerd voordat de meeste verdachten een verklaring hebben afgelegd over de gebeurtenissen op 30 april of 5 mei, zoals verdachte [verdachte] . In de verklaringen van aangeefster [aangeefster] na het uitbrengen van het rapport ter zitting en bij de rechter-commissaris ziet de rechtbank echter geen aanleiding om de deskundige (of een andere deskundige) aanvullend te laten rapporteren. Dit geldt eveneens voor de verklaringen van de verdachten afgelegd na het rapport in hun eigen zaak op zitting of als getuige in andere zaken bij de rechter-commissaris.
Ten slotte wijst de rechtbank op de vraagpunten die de deskundige Wolters zelf heeft genoemd, namelijk de vraag of aangeefster voldoende kenbaar heeft gemaakt dat zij geen seks met verdachte(n) wilde en de vraag of de door haar genoemde onvrijwilligheid in combinatie met iedere verdachte gold. Hij had hier, gelet op de stand van het dossier ten tijd van zijn rapportage, niet meer over kunnen zeggen. De rechtbank acht de beantwoording van genoemde vragen overigens voorbehouden aan de rechtbank en ziet daarom niet de noodzaak over deze vragen aanvullend te laten rapporteren.
b
.Het belang van een nieuw onderzoek in het licht van ander bewijsmateriaal: de rechtbank overweegt hierover dat er zich andere, wel zelfstandige bewijsmiddelen in het dossier bevinden die de verklaringen van aangeefster ondersteunen en een bevestiging vormen van de betrouwbaarheid van aangeefster.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
- het rapport van Reclassering Nederland van 10 november 2011van reclasseringswerker mw. J.H. Kooij, waaruit blijkt dat zij zich onthouden van een advies;
- de brief van G.T. Gerssen, psychiater, d.d. 7 december 2011, waaruit blijkt dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek;
- de rapportage van dr. D.J. Burck, gz-psycholoog, d.d. 14 december 2011, waaruit eveneens blijkt dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.
7.De benadeelde partij
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
een gevangenisstraf van 24 maanden;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] als voorschot een bedrag van € 2.753,68 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;