ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7090
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling indirecte discriminatie woonplaats bij kinderopvangtoeslag voor in België wonende ouders
Eiser woont in België en werkt in Nederland. Hij maakt gebruik van een Nederlands gastouderbureau en Nederlandse gastouders die bij hem thuis in België opvang bieden. De kinderopvangtoeslag wordt geweigerd omdat de gastouders niet beschikken over een attest van het Belgische bestuursorgaan Kind & Gezin, dat echter geen attest afgeeft voor opvang aan huis.
Verweerder stelt dat het onderscheid gerechtvaardigd is omdat de GGD in Nederland geen toezicht kan houden op opvanglocaties in België en dat de Belgische regelgeving geen attest toelaat voor opvang aan huis. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid leidt tot indirecte discriminatie op grond van woonplaats, omdat ouders in Nederland onder dezelfde omstandigheden wel recht op toeslag zouden hebben.
De rechtbank kwalificeert kinderopvangtoeslag als gezinsbijslag in de zin van Verordening 883/2004 en stelt dat artikel 7 van Pro deze verordening geen uitzonderingen toestaat op grond van objectieve rechtvaardigingsgronden. Daarom moet de eis van een attest van Kind & Gezin buiten toepassing blijven voor in België wonende ouders zoals eiser.
Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot weigering van kinderopvangtoeslag wordt vernietigd.