ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7780

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
12 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/604076-11 [P]
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 313 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs seksueel misbruik kleindochter

De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel misbruik van zijn kleindochter in de periode van mei 2008 tot december 2010. De tenlastelegging omvatte onder meer het binnendringen van de vagina met vingers en andere ontuchtige handelingen. De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van het slachtoffer, haar tante, en oma, alsmede op gedragsobservaties en een liedje van het slachtoffer dat mogelijk duidde op misbruik.

De verdediging betoogde dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar waren en dat de bewijslast niet werd gedragen door meerdere onafhankelijke bronnen, zoals vereist volgens artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelde vast dat alle verklaringen feitelijk uit één bron afkomstig waren, namelijk het slachtoffer zelf, en dat het liedje en het gedrag van het slachtoffer op meerdere manieren konden worden geïnterpreteerd.

Na zorgvuldige beoordeling concludeerde de rechtbank dat de aanwijzingen onvoldoende waren om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de tenlastegelegde feiten had gepleegd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primaire als het subsidiaire tenlastegelegde feit van seksueel misbruik.

De uitspraak benadrukt het belang van voldoende en onafhankelijk bewijs bij dergelijke ernstige beschuldigingen, waarbij verklaringen van één getuige zonder steunbewijs niet volstaan voor een veroordeling.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor seksueel misbruik.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/604076-11 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 oktober 2012
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [1949] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats] aan de [adres].
Raadsvrouw: mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 september 2012, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Primair: in de periode van 22 mei 2008 tot en met 30 december 2010 met [slachtoffer], die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam door zijn vingers in haar vagina te duwen en vervolgens draaiende of trillende bewegingen te maken;
Subsidiair: in de periode van 22 mei 2008 tot en met 30 december 2010 met [slachtoffer], terwijl zij de leeftijd van 16 jaar nog niet had bereikt en/of terwijl zij aan zijn zorg was toevertrouwd ontucht heeft gepleegd, door met zijn vinger over haar vagina te wrijven, althans zijn vingers in haar vagina te duwen en vervolgens draaiende of trillende bewegingen te maken
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
In het bijzonder wijst de officier van justitie (onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 6 maart 2012, LJN BS7910) op het feit dat de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate ondersteund wordt door de overige bewijsmiddelen, onder meer inhoudende het liedje van [slachtoffer], het gedrag van [slachtoffer], de verklaring van [slachtoffer] tegenover haar tante en de verklaring van oma, dat als zij naar zolder ging om te slapen, haar man bij [slachtoffer] in bed ging liggen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het primair en subsidiair tenlastegelegde seksueel misbruik. Daartoe heeft de raadsvrouw betoogd dat de verklaring van [slachtoffer] (alsmede die van de volwassenen) als onbetrouwbaar terzijde dienen te worden geschoven, zodat algehele vrijspraak moet volgen. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de verklaring van [slachtoffer], tezamen met de verklaringen van de volwassenen heeft te gelden als één en dezelfde verklaring, en dat onvoldoende steun kan worden gevonden in de andere bewijsmiddelen (oftewel: er geen steunbewijs is) om te komen tot een bewezenverklaring.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Hoewel de rechtbank met de officier van justitie van oordeel is dat er in het dossier weliswaar aanwijzingen zijn die mogelijk kunnen duiden op seksueel misbruik door verdachte van zijn kleindochter, is de rechtbank van oordeel dat deze aanwijzingen onvoldoende zijn om te kunnen vaststellen of verdachte de tenlastegelegde handelingen heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Op grond van het tweede lid van art. 342 Sv Pro - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. In vaststaande jurisprudentie is bepaald dat deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Naar aanleiding van een door [slachtoffer] gezongen liedje nadat zij door haar stiefvader was opgehaald bij verdachte en zijn echtgenote vermoedde stiefvader dat [slachtoffer] seksueel was misbruikt door haar opa. Vervolgens heeft de stiefvader [slachtoffer]’s tante opgebeld en heeft haar gevraagd met [slachtoffer] te praten. De tante heeft bij de politie verklaard dat zij aan [slachtoffer] heeft gevraagd of opa aan haar plasser heeft gezeten. [slachtoffer] zou daarop bevestigend hebben geantwoord. Zowel in het gesprek met haar tante, als later op de avond in het gesprek met haar moeder, zou [slachtoffer] over seksueel misbruik door opa hebben verklaard. Deze verklaring heeft zij later bij de politie herhaald. Dit zou mogelijk kunnen betekenen dat er inderdaad seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. Al datgene wat deze personen hebben gehoord over het vermeende misbruik komt uit één bron, te weten [slachtoffer].
De rechtbank ziet zich in dezen voor de vraag gesteld of de verklaringen van [slachtoffer] en de daarop gebaseerde de-audituverklaringen ondersteund worden door enig overig bewijsmateriaal.
De inhoud van het liedje van [slachtoffer] over het gekke gedrag van haar opa en de kriebels en pijn in haar buik, zou volgens de officier van justitie duiden op seksueel misbruik door verdachte en de verklaringen van [slachtoffer] derhalve ondersteunen. De rechtbank is echter met de verdediging van oordeel dat de bewoordingen in het liedje van zo algemene aard zijn dat de inhoud van het liedje op meerdere wijzen kan worden geïnterpreteerd en niet valt uit te sluiten dat aan het liedje een andere uitleg dan die van de officier van justitie moet worden gegeven.
Voorts is door de stiefvader het gedrag van [slachtoffer] voorafgaande aan het afscheid nemen van haar opa en oma beschreven, in welke de officier van justitie ondersteuning vindt voor het tenlastegelegde. De rechtbank oordeelt echter dat het gedrag van [slachtoffer] meerdere oorzaken kan hebben en niet evident in verband kan worden gebracht met het vermeende misbruik.
Tenslotte heeft mogelijk ook tante nog een sturende rol gehad in het gesprek met [slachtoffer], zoals door de verdediging naar voren gebracht.
Op grond van het al het vorenstaande komt de rechtbank tot een vrijspraak.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
5 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;
Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. P.W.G. de Beer en mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 oktober 2012.
Mr. Bakker is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.