ECLI:NL:HR:2012:BS7910
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en bewijsminimum art. 342 Sv
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor seksueel misbruik van zijn minderjarige kleindochter. De kern van het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer, ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals dagboekaantekeningen, verklaringen van familieleden en handschriftonderzoek.
De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was omdat het uitsluitend gebaseerd zou zijn op één getuige, hetgeen strijdig zou zijn met het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (unus testis nullus testis). De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat dit bewijsminimum vereist dat verklaringen van één getuige voldoende steun moeten vinden in ander bewijsmateriaal.
De Hoge Raad oordeelt dat in dit geval de verklaringen van het slachtoffer voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de dagboekaantekening die bij toeval werd gevonden, verklaringen van de moeder en verdachte, en het handschriftonderzoek. Er is geen sprake van schending van artikel 342, tweede lid, Sv.
Daarnaast constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, waardoor de opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd van vijf jaar naar vier jaar en negen maanden. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het bewijs voldoet aan het bewijsminimum van artikel 342 Sv.