ECLI:NL:RBZLY:2008:BD8999
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.I. van der Kris
- J.J. Szauer-Bos
- J.H.M. Hesseling
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid niet terecht
Eiseres was sinds 1999 werkzaam als interieurverzorgster en werd in 2007 ontslagen na een ontslagvergunning wegens disfunctioneren. Het UWV weigerde haar WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, stellende dat sprake was van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 7:678 BW Pro.
De rechtbank beoordeelde of de beëindiging van het dienstverband een dringende reden inhield die het UWV rechtvaardigde de uitkering te weigeren. Uit de feiten bleek een jarenlange voorgeschiedenis van disfunctioneren met meerdere waarschuwingen, maar geen concrete gedraging die een ontslag op staande voet rechtvaardigde.
De rechtbank volgde de lijn dat een dringende reden niet alleen gewichtig maar ook spoedeisend moet zijn, wat hier ontbrak. Daarom was er geen sprake van verwijtbare werkloosheid volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a van de WW. Het besluit van het UWV werd vernietigd en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt dat het UWV niet zomaar een WW-uitkering mag weigeren zonder dat aan de strenge criteria van dringende reden wordt voldaan, ook als het ontslag niet op staande voet is gegeven maar na een ontslagvergunning.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.