ECLI:NL:RBZLY:2010:BM2669

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
2 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/630063-07
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 36e Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij drugshandel

De rechtbank Zwolle-Lelystad behandelde op 2 februari 2010 de ontnemingsvordering tegen verdachte, die eerder door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was veroordeeld voor drugshandel in strijd met de Opiumwet. De officier van justitie vorderde betaling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van €41.625, gebaseerd op soortgelijke feiten als die waarvoor verdachte was veroordeeld.

Verdediging voerde aan dat verdachte geen soortgelijke feiten had gepleegd en betwistte de hoogte van het voordeel, mede omdat financieel onderzoek geen vermogensbestanddelen had blootgelegd en de aftrek van transportkosten onduidelijk was. De rechtbank achtte echter de bewijsmiddelen, waaronder getapte telefoongesprekken met versluierd taalgebruik over de levering van 22 kg heroïne, voldoende om het voordeel aannemelijk te achten.

De rechtbank verwierp de bezwaren van de verdediging en stelde vast dat verdachte betrokken was bij de levering. De ontnemingsvordering werd daarom toegewezen tot het gevorderde bedrag van €41.625. De rechtbank legde verdachte de verplichting op dit bedrag aan de Staat te voldoen.

De beslissing is gebaseerd op de feiten en omstandigheden uit het bewijs, waaronder het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en eerdere veroordeling door het hof. De rechtbank vond geen aanleiding om het bedrag te matigen, ook niet vanwege de aangevoerde transportkosten.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter M. Willemse en rechter S.M. Milani, waarbij G.P. Nieuwenhuis wegens verhindering niet medeondertekende.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot betaling van €41.625 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD
Sector Strafrecht
Parketnr. : 07.630063-07
Datum : 2 februari 2010
Beslissing op de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht
d.d. 13 augustus 2009 van de officier van justitie in de zaak tegen:
(verdachte),
geboren op (geboortejaar),
wonende te (adres)
thans verblijvende in (verblijfplaats)
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010.
( verdachte) is verschenen, bijgestaan door mr. C.S.P.M. de Kock, advocaat te Zwolle.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van (verdachte) d.d. 31 maart 2008 van de politie IJsselland, Regionale Recherche, Bureau Financiële Recherche, dossiernummer 08-501642A, opgemaakt door verbalisant (naam), alsmede van de inhoud van de zaaksdossiers van de strafzaak met opgemeld parketnummer, voor zover daarnaar in dit proces-verbaal is verwezen.
OVERWEEGT
Het gerechtshof Arnhem, nevenvestigingsplaats Leeuwarden, heeft (verdachte), in de strafzaak met opgemeld parketnummer in eerste aanleg, bij arrest van 9 juni 2009 veroordeeld ter zake van:
- opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet;
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet;
- opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet.
De officier van justitie heeft gevorderd dat (verdachte) zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel dat hij heeft genoten door middel van of uit de baten van soortgelijke feiten, zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Na een ter terechtzitting gedane aanpassing schat de officier van justitie het voordeel op een bedrag van € 41.625,--. Volgens de officier van justitie zou (verdachte) het voordeel hebben verkregen uit feiten die soortgelijk zijn aan de feiten die in het genoemde arrest van het gerechtshof bewezen zijn verklaard, namelijk de levering van een partij heroïne op 18/19 mei 2007.
De raadsman bestrijdt primair dat (verdachte) soortgelijke feiten heeft begaan als waar hij door het Hof voor veroordeeld is. Dat kan volgens de raadsman in elk geval niet volgen uit de getapte telefoongesprekken die de officier van justitie als bewijsmiddel aan de vordering ten grondslag heeft gelegd. Subsidiair bestrijdt de raadsman de hoogte van het door de officier van justitie becijferde voordeel dat (verdachte) hiermee verkregen zou hebben. In dit verband wijst de raadsman er op dat het financieel onderzoek naar het vermogen van (verdachte) niets heeft opgeleverd. Verder betoogt de raadsman met betrekking tot bovengenoemde schatting dat de aftrek voor transportkosten niet inzichtelijk is onderbouwd en is gebaseerd op een onlogische aanname.
De rechtbank is op grond van de stukken en gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht van oordeel dat (verdachte) wederrechtelijk voordeel heeft genoten ter zake van soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat in de getapte telefoongesprekken gebruik wordt gemaakt van versluierd taalgebruik betreffende de levering van 22 kg heroïne en dat deze levering ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Op basis van de gesprekken is naar het oordeel van de rechtbank voorts in voldoende mate vast te stellen dat (verdachte) bij deze levering betrokken is geweest.
De rechtbank schat het verkregen voordeel op € 41.625,-- en volgt daarmee de berekening zoals die is opgesteld door de officier van justitie. Deze berekening is ontleend aan
de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende - als aannemelijk aan te merken - gegevens, waarop ook bovenvermeld proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 31 maart 2008 is gebaseerd. Dat het financieel onderzoek naar het vermogen van (verdachte) geen vermogensbestanddelen inzichtelijk heeft gemaakt, laat onverlet dat de rechtbank wel aannemelijk acht dat (verdachte) voordeel heeft verkregen. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de aftrek voor transportkosten, ziet de rechtbank geen aanleiding om het ontnemingsbedrag te matigen.
De rechtbank is van oordeel dat er ook overigens geen termen zijn om het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedrag te matigen.
De beslissing dat (verdachte) wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist en zullen dan in een aan deze beslissing gehechte bijlage worden opgenomen.
De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie, zijnde deze vordering ook overigens op de wet gegrond, toewijzen tot een bedrag van € 41.625,--.
BESLISSING
De rechtbank stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op
€ 41.625,--.
De rechtbank legt aan (verdachte) de verplichting op om terzake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van € 41.625,-- (zegge: eenenveertigduizend zeshonderd en vijfentwintig euro).
Aldus gewezen door mr. M. Willemse, voorzitter, mr. G.P. Nieuwenhuis en mr. S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O. Bahi als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2010.
Mr. G.P. Nieuwenhuis was buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.