ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ8737
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering luchtvaartpassagier tot compensatie wegens vluchtvertraging conform Verordening 261/2004 en Sturgeon-arrest
In deze zaak vordert een luchtvaartpassagier compensatie wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op grond van Verordening 261/2004 en de uitleg daarvan door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Sturgeon-arrest. De luchtvaartmaatschappij Martinair betwist de aanspraak en stelt dat het Sturgeon-arrest strijdig is met het Verdrag van Montreal en andere rechtsbeginselen, en verzoekt om aanhouding van de procedure in afwachting van prejudiciële vragen.
De kantonrechter bespreekt uitvoerig de relevante jurisprudentie van het HvJ EU, waaronder het IATA-arrest, het Wallentin-Hermann-arrest, het Rehder-arrest en het Sturgeon-arrest. Uit deze jurisprudentie blijkt dat de Verordening en het Verdrag van Montreal verenigbaar zijn en dat passagiers van vertraagde vluchten gelijkgesteld kunnen worden met passagiers van geannuleerde vluchten voor het recht op compensatie.
De kantonrechter oordeelt dat het Sturgeon-arrest, samen met eerdere jurisprudentie, voldoende duidelijkheid biedt om de hoofdzaak te beslissen en dat er geen aanleiding is om de procedure aan te houden. De incidentele vordering van Martinair wordt afgewezen, waarna de hoofdzaak wordt verwezen naar een nader zittingstermijn.
Uitkomst: De incidentele vordering van Martinair tot aanhouding van de procedure wordt afgewezen.