ECLI:NL:PHR:2012:BW5525
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op compensatie bij langdurige vluchtvertraging volgens Verordening 261/2004
Deze zaak betreft het recht op compensatie voor passagiers bij langdurige vertraging van vluchten, zoals geregeld in art. 6 en Pro 7 van Verordening (EG) Nr. 261/2004. De Hoge Raad beantwoordt de vraag of het Sturgeon-arrest, dat passagiers van vertraagde vluchten gelijkstelt aan passagiers van geannuleerde vluchten voor compensatie, nog steeds het geldende recht weergeeft. De zaak spitst zich toe op de verhouding tussen deze Verordening en het Verdrag van Montreal.
De feiten betreffen passagiers die met China Southern Airlines een vlucht hadden geboekt die met aanzienlijke vertraging plaatsvond. EUclaim vordert compensatie namens de passagiers. De kantonrechter en het hof wijzen de vordering toe, waarbij het hof het Sturgeon-arrest volgt en het recht op compensatie bevestigt. CSA stelt cassatie in en betwist onder meer de uitleg van de Verordening en de verhouding tot het Verdrag van Montreal.
De Hoge Raad overweegt uitgebreid dat het Sturgeon-arrest een geldige uitleg geeft van de Verordening en dat passagiers bij een vertraging van drie uur of meer aanspraak maken op compensatie. De Raad wijst erop dat de Verordening een hoog beschermingsniveau nastreeft en dat het gelijkheidsbeginsel vereist dat passagiers van vertraagde en geannuleerde vluchten gelijk worden behandeld. De Raad bevestigt dat de Verordening en het Verdrag van Montreal verschillende rechtskaders bieden, waarbij de Verordening voorziet in gestandaardiseerde compensatie voor identieke schade (zoals tijdsverlies) en het Verdrag individuele schade behandelt. De Hoge Raad verwerpt het beroep op bijzondere omstandigheden door CSA en bevestigt dat het Sturgeon-arrest in Nederland wordt gevolgd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat passagiers bij langdurige vertraging recht hebben op compensatie volgens art. 7 van Verordening 261/2004 en verwerpt het cassatieberoep van CSA.