Art. 4 Wet van 2 mei 1990Artikel 8 Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsenHaagse Conventie van 25 oktober 1980 inzake burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot opname vaststellingsovereenkomst in beschikking bij internationale kinderontvoering
De zaak betreft een verzoek van de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van een minderjarige vanuit Nederland naar de Verenigde Staten na internationale kinderontvoering. Na een regiezitting en mediation bereikten de ouders een vaststellingsovereenkomst. De Centrale Autoriteit verzocht de rechtbank deze overeenkomst te bekrachtigen en op te nemen in de beschikking.
De moeder uitte echter bezwaren tegen de mediation en tegen opname van de overeenkomst in de beschikking. De rechtbank constateerde dat er geen overeenstemming bestond tussen partijen over opname van de vaststellingsovereenkomst in de beschikking. Daarom wees de rechtbank het verzoek af.
De rechtbank wees erop dat geschillen over de vaststellingsovereenkomst in een aparte procedure kunnen worden voorgelegd en dat de Centrale Autoriteit vrij staat een nieuw teruggeleidingsverzoek in te dienen. De beslissing werd genomen door kinderrechter M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en rechter M. Kramer op 19 juli 2011.
Uitkomst: Het verzoek van de Centrale Autoriteit om de vaststellingsovereenkomst op te nemen in de beschikking is afgewezen vanwege gebrek aan overeenstemming tussen partijen.
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 11-3159
Zaaknummer: 392715
Datum beschikking: 19 juli 2011
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 21 april 2011 ingekomen verzoek van:
de Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 vanPro de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage,
verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:
[de vader],
de vader,
wonende te [woonplaats A], Verenigde Staten van Amerika.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende te [woonplaats B],
advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen te Amsterdam.
Procedure
Van de zijde van de vader is op 10 januari 2011 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarige:
- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2000 te [geboorteplaats minderjarige], Verenigde Staten van Amerika,
naar de Verenigde Staten.
Op 21 april 2011 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Zwolle-Lelystad ingediend.
Bij beschikking d.d. 26 april 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 vanPro het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
Op 9 juni 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. J.A. Krab, de vader, vergezeld van een tolk, en de moeder met haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt. De moeder heeft tijdens deze zitting enkele nadere stukken overgelegd.
Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van mediation tot een minnelijke schikking te komen.
De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:
- de brief d.d. 21 juni 2011 van de zijde van de Centrale Autoriteit, met als bijlagen een wijzigingsverzoek en een door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst;
- een e-mailbericht van 24 juni 2011 van de zijde van de moeder.
Bij brief van 29 juni 2011 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich binnen één week uit te laten over de voortgang van de procedure.
Van de zijde van de Centrale Autoriteit is ter griffie ingekomen de brief d.d. 6 juli 2011. Van de zijde van de moeder is geen reactie ontvangen.
Verzoek en verweer
De Centrale Autoriteit heeft bij gewijzigd verzoekschrift het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar de Verenigde Staten van Amerika, alsmede alle overige verzoeken zoals beschreven in het op 21 april 2011 ingediende verzoekschrift, ingetrokken.
De Centrale Autoriteit verzoekt thans om de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst te bekrachtigen door de afspraken voor zover mogelijk op te nemen in de beschikking, althans (subsidiair) de afspraken te vermelden in de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen, althans (meer subsidiair) in ieder geval de vaststellingsovereenkomst aan te hechten aan de beschikking.
Van de zijde van de moeder is in genoemd e-mailbericht van 24 juni 2011 aangegeven dat de moeder een grote reeks bezwaren heeft ten aanzien van het verloop van de mediationsessie en het bureau belast met de mediation en dat namens de moeder een verweerschrift ingediend zal worden.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan.
De vader en de moeder hebben van 1999 tot 2007 met elkaar samengeleefd. Tijdens deze samenleving is het thans nog minderjarige kind geboren:
- [de minderjarige], op [geboortedatum minderjarige] 2000 te [geboorteplaats minderjarige], Verenigde Staten van Amerika.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het gezag over de minderjarige belast.
Op [datum vertrek uit Amerika] 2010 is de moeder met de minderjarige vanuit de Verenigde Staten van Amerika naar Nederland vertrokken, alwaar zij thans nog verblijven.
De vader is Amerikaans staatsburger, de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit en zijn daarnaast Amerikaans staatsburger.
De na genoemde regiezitting plaatsgevonden mediation heeft geresulteerd in algehele overeenstemming. De vader en de moeder hebben op 12 juni 2011 een vaststellingsovereenkomst ondertekend.
Beoordeling
Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
De rechtbank zal het verzoek van de Centrale Autoriteit om de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst te bekrachtigen door de afspraken voor zover mogelijk op te nemen in de beschikking, het subsidiaire verzoek de afspraken te vermelden in de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen, alsmede het meer subsidiaire verzoek in ieder geval de vaststellingsovereenkomst aan te hechten aan de beschikking, afwijzen, nu -gelet op het e-mailbericht van 24 juni 2011 van de zijde van de moeder - tussen partijen geen overeenstemming bestaat over opname in de beschikking van de getroffen onderlinge regelingen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat geschillen over de vaststellingsovereenkomst die de Centrale Autoriteit na de mediation aan de rechtbank heeft doen toekomen in een afzonderlijke (dagvaardings)procedure aan de rechtbank ter beoordeling kunnen worden voorgelegd, alsmede dat het de Centrale Autoriteit ook vrij staat opnieuw een teruggeleidingsverzoek in te dienen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek van de Centrale Autoriteit om de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst te bekrachtigen door de afspraken voor zover mogelijk op te nemen in de beschikking, het subsidiaire verzoek de afspraken te vermelden in de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen, alsmede het meer subsidiaire verzoek in ieder geval de vaststellingsovereenkomst aan te hechten aan de beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken door mr. M. Kramer ter openbare terechtzitting van 19 juli 2011.