ECLI:NL:RBZUT:2000:AA7500
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gedifferentieerde WAO-premie en toepassing artikel 87e WAO in relatie tot artikel 6 EVRM
De eisende partijen, werkgevers, maakten bezwaar tegen de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie voor het premiejaar 2000, gebaseerd op de in 1998 aan hun werknemers uitbetaalde WAO-uitkeringen. Zij voerden aan dat zij geen toegang hadden tot de onderliggende medische en arbeidskundige stukken, wat volgens hen in strijd was met artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat sinds 1 januari 1998 werkgevers de mogelijkheid hebben om besluiten over de toekenning of herziening van WAO-uitkeringen aan hun werknemers juridisch aan te vechten. Dit betekent dat zij de 'merits of the matter' van de premiebesluiten kunnen laten toetsen, ook al vindt die toetsing gefaseerd plaats.
De rechtbank oordeelde dat artikel 87e WAO, dat bezwaar tegen de gedifferentieerde premie op grond van onjuistheid van de WAO-uitkering uitsluit, niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. Er is geen sprake van een onevenwichtige procespositie of schending van het gelijkheidsbeginsel. Omdat de eisers de mogelijkheid hadden om de uitkeringen in rechte aan te vechten maar dit niet hebben gedaan, dient van de juistheid van de uitkeringen te worden uitgegaan.
Gezien het ontbreken van gegronde bezwaren tegen de premiebesluiten verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De beroepen tegen de gedifferentieerde WAO-premies voor het premiejaar 2000 worden ongegrond verklaard.