ECLI:NL:RBZUT:2000:AA8964
Rechtbank Zutphen
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening bij beëindiging bijstandsuitkering vreemdeling zonder geldige verblijfsvergunning
Verzoekster, een vreemdeling van Ecuadoriaanse nationaliteit, kreeg een bijstandsuitkering toegekend op basis van een verblijfsvergunning gekoppeld aan haar partner. Na het beëindigen van deze relatie en het verblijf in een opvanghuis, werd haar vergunning niet verlengd en haar bijstand ingetrokken per 1 november 2000. Verzoekster stelde dat zij tijdig een aanvraag voor voortgezette toelating had ingediend en derhalve gelijkgesteld moest worden met een Nederlander voor de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).
De rechtbank oordeelt dat verzoekster inderdaad tijdig een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend, conform het beleid van de Staatssecretaris van Justitie en de bepalingen van het Besluit gelijkstelling. Hierdoor moet zij worden gelijkgesteld met een Nederlander zolang op haar bezwaarschrift tegen de weigering van de vergunning niet is beslist.
Gezien de financiële problemen die verzoekster en haar kinderen zouden ondervinden bij het wegvallen van de bijstand, en de verwachting dat de bestreden besluiten in de bodemprocedure niet in stand zullen blijven, acht de rechtbank het noodzakelijk om de bijstand per 1 november 2000 voort te zetten als voorlopige voorziening.
Daarnaast wordt het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Terborg veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoekster.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 november 2000 wordt voortgezet.