ECLI:NL:RBZUT:2001:AB0896
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over WW-uitkering wegens onjuiste toepassing fictieve opzegtermijn
Eiser was sinds 1 juli 1995 in dienst bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 juni 2000 wegens reorganisatie. Verweerder stelde bij besluit vast dat het recht op WW-uitkering pas per 1 juli 2000 inging, rekening houdend met een fictieve opzegtermijn. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit omdat onduidelijk was of bij de fictieve opzegtermijn rekening moest worden gehouden met het opzegtermijnartikel uit het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank stelde vast dat de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van artikel 16.3 WW niet duidelijk zijn, maar dat de aanzegtermijn volgens de Centrale Raad van Beroep wel moet worden meegeteld bij de fictieve opzegtermijn. De rechtbank vond echter dat het bestreden besluit onjuist was omdat het niet aannemelijk was dat outplacementkosten als loon konden worden gelijkgesteld en verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de opzegtermijn zoals gehanteerd juist was.
Daarom werd het besluit vernietigd en verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet opnieuw op het bezwaar beslissen met inachtneming van de uitspraak.