Uitspraak
Rechtbank Zutphen
beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 29 april 2008
[vezoekster],
[verweerder],
Het verdere procesverloop
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 14 maart 2007;
- de brief met bijlagen van mr. Leeters van 15 mei 2007;
- de brief met bijlagen van mr. Onland van 15 mei 2007;
- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 11 juli 2007;
- de brief van mr. Leeters van 3 september 2007;
- de brief met bijlage van mr. Onland van 18 december 2007;
- de brief met bijlagen van mr. Onland van 20 februari 2008;
- de brief met bijlagen van mr. Leeters van 24 februari 2008;
- het faxbericht met bijlage van mr. Leeters van 25 februari 2008;
- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 27 februari 2008;
- de bij gelegenheid van de behandeling op 27 februari 2008 door mr. Onland overgelegde kopie van de vaststellingsovereenkomst;
- de brieven van mrs. Onland en mrs. Leeters van respectievelijk 5 en 6 maart 2008, die worden geacht deel uit te maken van het proces-verbaal van de behandeling op 27 februari 2008;
- het faxbericht met bijlage van mr. Onland van 3 maart 2008;
- het faxbericht met bijlage van mr. Onland van 10 maart 2008;
- de brief met bijlagen van mr. Onland van 18 maart 2008;
- de brief met bijlagen van mr. Gaaf van 2 april 2008;
- het faxbericht van mr. Onland van 21 april 2008;
- het faxbericht van mr. Leeters van 23 april 2008.
De verdere beoordeling
(wordt)… bereikt dat verhogingen of verlagingen van het pensioen (bij voorbeeld door indexatie) gelegen tussen het tijdstip van (echt)scheiding (of het einde van de deelname) en de ingangsdatum van de toepasselijke regeling in aanmerking worden genomen. De verhogingen en verlagingen van ingegane pensioenen worden op grond van het bepaalde in het tweede lid eveneens in de verevening betrokken.”
feitelijkvoorindexering ontvangt, heeft de wetgever kennelijk niet relevant geacht en kan niet doorslaggevend zijn, nu er immers ook een situatie denkbaar was geweest waarin de man nog steeds pensioen opbouwde en het pensioen derhalve nog in omvang toenam. De bedoeling van de wetgever is - gelet op de fictiebepaling - geweest dat de uitkomst voor de vrouw niet wordt beïnvloed door de feitelijke situatie aan de zijde van de man. Bovendien is het de keuze van de man geweest in dienst te blijven, maar de deelneming te beëindigen. Of de man in de voorliggende situatie zelf aanspraak kan maken op voorindexering, is dan ook niet relevant. Daarmee staat het recht op voorindexering voor de vrouw vast.