ECLI:NL:RBZUT:2010:BL8065
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verhaalsvordering verzekeraar tegen failliete werkgever na arbeidsongeval uitzendkracht
De uitzendkracht raakte in 1995 tijdens werkzaamheden bij een pluimveeslachterij ernstig gewond door een arbeidsongeval. Hij stelde zowel het uitzendbureau als de materiële werkgever aansprakelijk. De verzekeraar van het uitzendbureau vergoedde in 2005 de schade en zocht verhaal op de materiële werkgever, die inmiddels failliet was. De curatoren van de failliete werkgever stelden dat de vordering verjaard was, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De verhaalsvordering van de verzekeraar is alleen verjaard indien ook de vordering van de uitzendkracht op het uitzendbureau was verjaard toen de verzekeraar de schade vergoedde.
De rechtbank oordeelde dat de regresvordering van de verzekeraar op de failliete werkgever niet in strijd is met de wet en dat de verjaringstermijn van vijf jaar voor de regresvordering pas aanvangt bij betaling door de verzekeraar. De curatoren mochten het verjaringsverweer voeren, maar moesten bewijzen dat de vordering van de uitzendkracht op het uitzendbureau was verjaard. Tevens werd vastgesteld dat de aansprakelijkheid van de failliete werkgever gebaseerd moet zijn op een onrechtmatige daad, omdat het ongeval plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de zorgplicht voor ingeleend personeel.
De rechtbank gaf de verzekeraar de gelegenheid bewijs te leveren over het arbeidsongeval en de aansprakelijkheid van de failliete werkgever. De beslissing over de verificatie van de vordering werd aangehouden om verdere proces-economische vertraging te voorkomen. De curatoren mochten na bewijslevering hun stellingen aanpassen. Het vonnis werd gewezen door rechter J.S.W. Lucassen.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en geeft de verzekeraar gelegenheid bewijs te leveren over stuiting van verjaring en aansprakelijkheid.