ECLI:NL:RBZUT:2011:BP3544
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Mei
- Van de Wetering
- Gilhuis
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid vervolging vennootschap onder firma ondanks ontbinding
In deze strafzaak stond de ontvankelijkheid van de officier van justitie centraal in de vervolging van een vennootschap onder firma (VOF). De kernvraag was op welk moment de vervolging is aangevangen en of die vervolging vervalt bij de ontbinding van de VOF. De officier van justitie stelde dat de vervolging begon op 27 oktober 2009, toen een doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris plaatsvond. De verdediging betoogde dat de vervolging pas begon bij de dagvaarding op 26 oktober 2010, toen de VOF al was ontbonden en als eenmanszaak werd voortgezet.
De rechtbank overwoog dat de vervolging aanvangt zodra een rechter bij de zaak wordt betrokken, zoals bij het vorderen van een gerechtelijk vooronderzoek of een doorzoekingsbevel. De betrokkenheid van de rechter-commissaris op 16 oktober 2009 betekende de start van de vervolging. Hoewel de ontbinding van de VOF op 18 augustus 2010 in het Handelsregister was ingeschreven, was de vervolging dus al ruim tien maanden eerder aangevangen. Hierdoor vervalt het recht tot strafvervolging niet.
De rechtbank concludeerde dat de VOF strafrechtelijk nog steeds bestaat en vervolgd kan worden, ook al was zij civielrechtelijk ontbonden. De maatschappelijke realiteit en continuïteit van de onderneming zijn hierbij bepalend. De rechtbank verklaarde de officier van justitie ontvankelijk, schorste het onderzoek voor onbepaalde tijd en droeg de stukken over aan de rechter-commissaris voor verder onderzoek en het horen van getuigen.
Uitkomst: De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de VOF ondanks de ontbinding daarvan na aanvang van de vervolging.