ECLI:NL:RBZUT:2011:BR1655
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stuiting verjaring en toestaan tussentijds hoger beroep in civiele aansprakelijkheidszaak
In deze civiele procedure tussen eiser en gedaagde B.V. staat de vraag centraal of de vordering van eiser is verjaard en of de verjaring is gestuit. Eiser bracht diverse brieven in het geding, waaronder brieven van zijn advocaat aan de verzekeraar en advocaat van gedaagde, waarin aansprakelijkheid en schadevergoeding werden besproken.
De rechtbank oordeelt dat de brieven van 5 maart 2007 en 24 december 2008, in samenhang bezien, een voldoende ondubbelzinnige stuitingshandeling vormen conform artikel 3:317 BW Pro. Hiermee is de verjaring effectief gestuit en was de vordering op het moment van dagvaarding in 2010 nog niet verjaard.
Gedaagde stelde dat de brieven geen stuiting opleveren, onder meer omdat een brief aan de verzekeraar niet aan haar was gericht en de kort gedingdagvaarding was ingetrokken. De rechtbank verwierp dit verweer en benadrukte dat de correspondentie als waarschuwing moet worden gezien dat gedaagde haar gegevens en bewijsmateriaal moest bewaren.
Vanwege de ingrijpende gevolgen van de beslissing over verjaring voor de verdere procedure, stond de rechtbank tussentijds hoger beroep toe. De zaak werd verwezen naar de rol van 12 oktober 2011 voor verdere behandeling. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van €894,00.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de verjaring is gestuit en staat tussentijds hoger beroep toe.