ECLI:NL:RBZUT:2011:BU6772
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst seniorenwoning na overlijden moeder door meerderjarige zoon met kinderen
De zaak betreft een geschil tussen [eiser], die de huurovereenkomst van een woning wil voortzetten na het overlijden van zijn moeder, en de verhuurder, stichting Woonbedrijf Ieder1. De woning betreft een seniorenwoning, en de verhuurder betwist dat [eiser] zijn hoofdverblijf in de woning heeft en dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder.
De rechtbank stelt vast dat [eiser] sinds 1999 met onderbrekingen in de woning staat ingeschreven en dat zijn kinderen tot 2010 op een school in de buurt stonden ingeschreven. Diverse verklaringen van buurtbewoners en familie ondersteunen dat [eiser] en zijn kinderen in de woning woonden en dat er een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestond.
De verhuurder voert aan dat de woning een seniorenwoning is en niet geschikt voor gezinnen, en dat [eiser] en zijn kinderen veel tijd op de Filippijnen doorbrengen. Dit verweer wordt verworpen omdat de wettelijke voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 BW Pro limitatief zijn en geen belangenafweging met de verhuurder toestaan.
De rechtbank wijst de primaire vordering van [eiser] af, maar wijst zijn subsidiaire vordering toe op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro, waarmee hij de huurovereenkomst voortzet. De gevorderde voorlopige voorziening van de verhuurder wordt afgewezen en de verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voortgezet door de zoon na het overlijden van zijn moeder, ondanks het verweer van de verhuurder.