Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale middel
gemeenschappelijke huishouding(mijn onderstreping; A-G) blijven wonen, tussen de ouder(s) en het meerderjarig geworden kind reeds uit dien hoofde sprake is van een 'duurzame gemeenschappelijke huishouding'. Dit lijkt te veronderstellen dat de normale gezinssituatie tussen ouder(s) en inwonend kind als zodanig als een gemeenschappelijke huishouding zou kunnen worden aangemerkt, maar dat het geen ‘duurzame gemeenschappelijke huishouding’ is in verband met de verwachting dat de kinderen zullen uitvliegen. Dit sluit aan bij A-G Leijten die de normale gezinsverhouding tussen ouders en kinderen als een ‘gemeenschappelijke huishouding’ typeert, zij het niet als een duurzame (gezien de verwachting van uitvliegen).
subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.6), de stellingen van [eiser] over de zorg van de moeder voor de zoon en later van de zoon voor de moeder (
subonderdeel 2.2) en in het bijzonder over de rol die het hof heeft toegekend aan het gebrek aan wederkerigheid zonder daarbij alle omstandigheden van het geval te betrekken (
subonderdeel 2.3).
onderdeel 2.4.
onderdeel 2.1zou betogen dat de leeftijd van het inwonende kind en de overige omstandigheden van het geval niet ook in de beoordelingen moeten worden betrokken, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof kon bovendien een contra-indicatie ontlenen aan het feit dat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] niet financieel bijdroeg aan het huishouden.
subonderdeel 2.2veronderstelt, heeft het hof in rov. 3.8 niet geoordeeld dat [eiser] niet 'zelfstandig' was als bedoeld in het arrest van 12 maart 1982.
subonderdeel 2.3veronderstelt, heeft het hof geen 'periode van wederzijdse verzorging' aangenomen (p. 7, bovenaan). Evenmin is het hof uitgegaan van een eis dat 'beide samenwonenden te allen tijde exact evenveel voor elkaar doen' (p. 7, tweede alinea).