ECLI:NL:RBZUT:2012:BV7985

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
5 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
128146 FA RK 12-237
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kostenverdeling en verblijfsregeling minderjarige kinderen bij ouders

De rechtbank Zutphen behandelde een verzoek tot voorlopige voorzieningen inzake de zorg en kosten van twee minderjarige kinderen van partijen. Partijen waren het eens over een zorgregeling waarbij de kinderen grotendeels bij de vrouw verblijven, maar ook meerdere dagen per twee weken bij de man. De vrouw verzocht om toewijzing van de kinderen aan haar en een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en haar levensonderhoud.

De rechtbank oordeelde dat de kinderen aan de vrouw worden toegewezen, mede vanwege de wens om overleg tussen partijen te beperken en rust te bevorderen. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €500 per kind per maand, waarbij rekening werd gehouden met de ruime verblijfsregeling bij de man en diens bijdrage in natura. De man kreeg een budget toegekend voor kosten die hij direct maakt tijdens verblijf van de kinderen.

De draagkracht van beide partijen werd berekend aan de hand van hun inkomen en lasten. De man werd verplicht €306 per maand aan de vrouw te betalen voor haar levensonderhoud en daarnaast respectievelijk €383,50 en €360,50 per maand als bijdrage in de kosten van de kinderen. De beschikking geldt met ingang van 1 maart 2012 en verdere verzoeken werden afgewezen.

Uitkomst: De man moet vanaf 1 maart 2012 bijdragen in de kosten van de kinderen en het levensonderhoud van de vrouw, terwijl de kinderen aan de vrouw worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Civiel – Afdeling Familie
Zaaknummer: 128146 FARK 12-237
beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 5 maart 2012
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [plaats, gemeente],
verzoekster, verder te noemen de vrouw,
advocaat: mr. J.H. Hofstede te Doetinchem,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [plaats, gemeente],
verweerder, verder te noemen de man,
advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters te Deventer.
Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 7 februari 2012;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen op 24 februari 2012;
- het proces-verbaal van de terechtzitting op 27 februari 2012.
Het verzoek
De vrouw verzoekt:
a) de beide minderjarige kinderen van partijen aan haar toe te vertrouwen;
b) ten laste van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van deze minderjarigen te bepalen van € 500,-- per kind per maand;
c) ten laste van de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te bepalen van € 800,-- per maand.
Het verweer
De man voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vrouw af te wijzen en bij wijze van zelfstandig verzoek:
a) de beide minderjarige kinderen van partijen aan hem toe te vertrouwen;
b) te bepalen dat de kosten voor de kinderen tussen partijen worden verdeeld overeenkomstig het kostenschema dat door hem is overgelegd;
c) een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te bepalen van € 475,34 bruto per maand.
De beoordeling
Ter zitting is gebleken dat partijen overeenstemming hebben over de zorgregeling voor de kinderen. Deze regeling wordt ook al enige tijd uitgevoerd en komt erop neer dat [kind A] afgerond vijf dagen en [kind B] afgerond zes dagen per twee weken bij de man verblijven en de overige tijd bij de vrouw. Partijen zijn voornemens deze regeling te blijven voortzetten. De vrouw wenst geen medewerking te verlenen aan de wens van de man ongeacht de zorgregeling bij beide ouders een kind in te schrijven. Weliswaar kan dit fiscale voordelen voor de man opleveren, maar voor haarzelf en voor de kinderen is het gevoelsmatig van belang dat beide kinderen op hetzelfde adres staan ingeschreven.
De rechtbank houdt bij de beoordeling van de verzoeken van partijen geen rekening met de fiscale consequenties voor partijen. Het verzoek van de vrouw de kinderen aan haar toe te vertrouwen dient - gelet ook op de wettelijke regeling - met name te worden gezien in verband met haar wens dat uitsluitend zij rechtstreeks kosten voor de kinderen voldoet. Zij heeft toegelicht dat indien iedere ouder een deel van de kosten voldoet, de ouders voor iedere wijziging of onvoorziene uitgave met elkaar in overleg moeten treden, terwijl de communicatie tussen partijen juist heel moeizaam verloopt. De rechtbank acht het voor de rust van partijen en van de beide kinderen noodzakelijk om de mate van overleg te beperken. Het verdelen van de kindgebonden kosten zal op dit moment tot extra wrijving leiden. De vrouw heeft in dat opzicht een gerechtvaardigd belang bij haar verzoek. Nu de kinderen bovendien een groter deel van de tijd bij haar dan bij de man verblijven, zal de rechtbank haar verzoek omtrent de toevertrouwing toewijzen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat partijen de zorgverdelingsregeling blijven voortzetten.
Partijen zijn het erover eens dat op grond van een gezinsinkomen van ongeveer € 5.000,-- netto per maand aan de hand van het rapport kosten van kinderen en de daarbij behorende tabel die jaarlijks wordt aangepast, het totale eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen (zonder bijtelling van de kinderbijslag) in totaal circa € 1.000,-- per maand bedraagt. De man is echter van mening dat partijen eerder alle kosten zeer gespecificeerd hebben geïnventariseerd en dat moet worden uitgegaan van een verdeling van de kosten conform het door hen opgestelde schema. De vrouw heeft ter zitting met betrekking tot dit schema genoegzaam onderbouwd dat de kosten van de kinderen in dit schema voorzichtig en niet uitputtend zijn opgenomen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de behoefte van de kinderen in dit geval lager is dan op grond van de tabel mag worden aangenomen en zal worden uitgegaan van een behoefte van € 500,-- per kind per maand.
In verband met de ruime verblijfsregeling van de kinderen bij de man acht de rechtbank het wel redelijk dat de man enige ruimte heeft om zelf de kosten die zich tijdens het verblijf bij hem voordoen te kunnen voldoen. Het ligt voor de hand - gelet op de mate van verblijf - dat hij meer uitgaven voor de kinderen doet dan in het geval van een standaardomgangsregeling voor zaken als cadeaus voor verjaardagsfeestjes, kleding e.d. Juist nu de vrouw over dit soort zaken niet voortdurend wil hoeven overleggen, is het redelijk de man hiervoor een budget toe te kennen. De vrouw heeft ten gevolge van de mate van zorg door de man bovendien minder en de man meer gebruikerslasten.
De vraag is wat voor de duur van de voorlopige voorziening een redelijke wijze van vaststelling van de verdeling van de kosten is. Daarbij weegt mee dat op basis van een verdeling van de kosten naar rato van de periode van zorg de man een bedrag van € 179,-- voor [kind A] en een bedrag van € 214,-- voor [kind B] per maand geacht zou kunnen worden te voldoen. Indien uitsluitend rekening zou worden gehouden met verblijfskosten van € 5,-- per kind per dag, bedragen de kosten van de man voor [kind A] € 54,-- en voor [kind B] € 65,-- per maand. De rechtbank acht het redelijk dat de man voorlopig een bedrag gelijk aan het gemiddelde, oftewel € 116,50 voor [kind A] en € 139,50 voor [kind B], ter vrije besteding heeft. De rechtbank zal deze bedragen in mindering brengen op de behoefte van de kinderen om de maximale bijdrage voor de kosten bij de vrouw vast te stellen, nu aannemelijk is dat het voldoen van kosten in natura de resterende behoefte van de kinderen in ieder geval tot op zekere hoogte vermindert. Dit betekent dat de resterende behoefte van de kinderen € 383,50 voor [kind A] en € 360,50 voor [kind B] bedraagt.
De man heeft niet betwist dat hij draagkracht voor deze bijdragen heeft, zodat deze bedragen zullen worden toegewezen.
De man heeft ter zitting aangegeven dat hij in het kader van de voorlopige voorzieningen instemt met de behoefte van de vrouw aan de door haar verzochte bijdrage van € 800,-- per maand. Het is niet aannemelijk dat de vrouw op heel korte termijn haar eigen inkomsten kan vergroten; op langere termijn is zij hiertoe volgens hem wel in staat. In het kader van de voorlopige voorzieningen staat de behoefte derhalve vast, met dien verstande dat na het berekenen van de draagkracht van de man wel een jusvergelijking zal worden gemaakt om vast te stellen dat de vrouw niet in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man.
Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man. Op grond van de huidige stukken acht de rechtbank vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat de man andere inkomsten genereert dan zijn cumulatieve salaris ad € 60.024,-- per jaar. Niet is gebleken dat de afgelopen jaren dividend is uitgekeerd of opnamen in rekening-courant zijn gedaan. Van de man kan wel verlangd worden in het kader van de echtscheidingsprocedure meer inzage te verschaffen dan hij thans heeft gedaan.
Rekening houdend met alles op jaarbasis - het eigenwoningforfait ad € 1.752,--, de hypotheekrente ad € 5.460,--, de algemene heffingskorting ad € 2.033,--, de arbeidskorting ad € 1.533,-- en de inkomensheffing, berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de man - na aftrek van de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet ad € 2.503,-- - op afgerond € 3.260,-- per maand.
Geen rekening heeft de rechtbank gehouden met de premie lijfrente, nu de man niet heeft aangetoond dat hij geen oudedagsvoorziening in zijn onderneming heeft getroffen of kan treffen en derhalve de noodzaak van deze last niet is gebleken.
Bij de bepaling van het draagkrachtloze inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 935,-- per maand minus de wooncomponent van € 213,-- en van de navolgende lasten op maandbasis:
- de hypotheekrente ad € 455,--;
- het forfait overige eigenaarslasten ad € 95,--;
- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 79,33, zijnde een basis- en aanvullende premie gelijk aan hetgeen de man voor de vrouw heeft opgevoerd ad € 110,-- vermeerderd met het verplichte eigen risico van € 18,33 per maand en verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW ad € 49,--.
Tevens houdt de rechtbank rekening met de spaarvoorziening ad € 250,-- per maand, nu het verband met de echtelijke woning voldoende is komen vast te staan en beide partijen belang hebben bij doorbetaling van dit bedrag, alsmede met de omgangskosten met de minderjarigen, die gelijkgesteld worden aan de bedragen die hiervoor zijn genoemd van € 116,50 en € 139,50 oftewel in totaal € 256,--.
Van de draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Aldus gerekend en rekening houdend met de persoonsgebonden lastenaftrek van € 107,-- per maand in verband met te betalen kinderalimentatie en het belastingvoordeel dat de man heeft wegens alimentatiebetaling aan de vrouw, welk voordeel de rechtbank aan de vrouw toerekent, heeft de man ruimte voor een bedrag van € 353,-- per maand voor de vrouw.
Voor een vergelijking van ieders inkomsten en lasten gaat de rechtbank aan de zijde van de vrouw van de navolgende gegevens uit.
Het bruto loon voor de Zorgverzekeringswet bedraagt blijkens de jaaropgave 2011 € 22.720,--. Rekening houdend met alles op jaarbasis naar de cijfers over 2012 - de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet ad € 1.613,--, de algemene heffingskorting ad € 2.033,--, de arbeidskorting ad € 1.611,--, de alleenstaande-ouderkorting ad € 1.993,-- de inkomensafhankelijke combinatiekorting ad € 1.804,-- en de inkomensheffing, berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de vrouw - na aftrek van de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet ad € 1.613,-- - op afgerond € 1.802,-- per maand.
Daarbij heeft de rechtbank geen rekening gehouden met het kindgebonden budget, omdat het verzamelinkomen van de vrouw inclusief de partneralimentatie de grens van € 28.897,-- zal overschrijden.
Bij de bepaling van het draagkrachtloze inkomen van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 935,-- per maand minus de wooncomponent van € 213,-- en van de navolgende lasten op maandbasis:
- een huur van (naar ter zitting mondeling is gesteld) € 600,--;
- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 79,33, zijnde de basis- en aanvullende premie ad € 110,-- vermeerderd met het verplichte eigen risico van € 18,33 per maand en verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW ad € 49,--.
Vergelijking van ieders inkomen en lasten leert de rechtbank dat de vrouw bij een alimentatie van € 306,-- niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man, zodat de rechtbank de alimentatie tot dat bedrag zal matigen. Dit is weliswaar lager dan het bedrag dat de man heeft aangeboden, maar de rechtbank begrijpt dat dit aanbod alleen betrekking heeft op de situatie waarin de kosten van de kinderen worden gedeeld en niet ook op de onderhavige situatie.
Voormelde bedragen acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.
Partijen hebben overeenstemming dat de ingangsdatum voor de vast te stellen bijdragen op 1 maart 2012 dient te worden gesteld.
De beslissing voor de duur van het geding
De rechtbank:
vertrouwt de minderjarige kinderen van partijen:
[kind A], geboren op [1999] te [plaats], en,
[kind B], geboren op [2000] te [plaats],
toe aan de vrouw;
bepaalt dat de man met ingang van 1 maart 2012 € 306,-- (driehonderdzes euro) per maand aan de vrouw zal betalen voor haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man met ingang van 1 maart 2012 € 383,50 (driehonderddrieëntachtig euro en vijftig eurocent) per maand voor [kind A] en € 360,50 (driehonderdzestig euro en vijftig eurocent) per maand voor [kind B] aan de vrouw zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.