AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing onderhoudsbijdrage aan vrouw na verhuizing en beëindiging winkelactiviteiten
De vrouw verzocht de rechtbank om een onderhoudsbijdrage van €1.500 per maand van de man, omdat zij geen inkomen had en behoefte had aan financiële ondersteuning. De man stelde dat de vrouw bewust had gekozen geen inkomen te genereren en over voldoende kapitaal beschikte om te leven tot een definitieve uitspraak.
Partijen waren verdeeld over het inkomen van de man, die aangaf een verzamelinkomen van €10.375 te hebben na aftrek van ondernemersaftrek. De rechtbank stelde vast dat de vrouw haar winkel in de echtelijke woning niet meer kon voortzetten na haar verhuizing naar Apeldoorn, maar dat dit niet ten laste van de man mocht komen. De verdiencapaciteit van de vrouw werd vastgesteld op €6.668 netto per jaar.
De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €1.200 netto per maand, waarvan na aftrek van haar verdiencapaciteit een netto behoefte van €644 resteerde. Dit werd omgerekend naar een bruto bedrag van €1.040 per maand. De draagkracht van de man werd berekend op basis van zijn inkomsten uit de vennootschap onder firma, rekening houdend met fiscale aftrekposten en lasten.
De rechtbank oordeelde dat de man voldoende draagkracht had om aan deze behoefte te voldoen en wees de onderhoudsbijdrage van €1.040 per maand toe, met de verplichting tot vooruitbetaling per maand. Het verzoek tot een hoger bedrag werd afgewezen.
Uitkomst: Man moet vrouw een onderhoudsbijdrage van €1.040 bruto per maand betalen.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Civiel – Afdeling Familie
Zaaknummer: 128022 FARK 12-203
beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 5 maart 2012
in de zaak van:
[verzoekster],
hierna te noemen de vrouw,
wonende te [woonplaats]
advocaat: mr. W.C.M. Bénard te Apeldoorn,
tegen
[verweerder]
hierna te noemen de man,
wonende te [postcode, woonplaats, adres]
in persoon verschenen.
Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 1 februari 2012;
- het proces-verbaal van de terechtzitting op 27 februari 2012.
De beoordeling
De vrouw verzoekt dat de rechtbank zal bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud een bedrag van € 1.500,-- per maand dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling per de eerste dag van de maand te voldoen. Zij stelt daartoe dat zij geen inkomen heeft, en derhalve behoefte heeft aan een bijdrage, terwijl de man inkomsten als freelancer heeft en draagkracht heeft, althans moet worden geacht draagkracht te hebben, voor de verzochte bijdrage. De man heeft ondanks verzoek daartoe geen stukken overgelegd of een aanbod gedaan.
De man voert verweer. Hij voert aan dat het een bewuste keuze is van de vrouw dat zij geen inkomen heeft en dat zij voldoende kapitaal heeft om van te leven tot aan een definitieve uitspraak in de echtscheidingsprocedure.
Gebleken is dat partijen samen een vennootschap onder firma hebben, waarin beide partijen onafhankelijk van elkaar activiteiten ontplooiden.
De vrouw had een kledingwinkel in de echtelijke woning van partijen, die geopend was in de weekeinden in de maanden maart tot en met augustus. Niet weersproken is door de vrouw de stelling van de man dat de verdiensten daaruit € 6.668,-- per jaar bedroegen, de vrouw gaat zelfs uit van een iets hoger bedrag. Begin 2011 hebben partijen besproken gescheiden te gaan wonen. Aanvankelijk wilde de vrouw in de omgeving blijven wonen en de winkel in de echtelijke woning blijven voortzetten. In september 2011 is zij teruggekeerd naar Apeldoorn, de vroegere woonplaats van partijen. De vrouw was bereid op en neer te reizen naar Renesse om de winkel te blijven draaien, maar na overleg met de man heeft zij daarvan afgezien. Zij heeft met haar twee kinderen uit een eerdere relatie vanaf september 2011 geleefd van het geld dat partijen al hadden verdeeld. Hiervan heeft zij ook haar nieuwe woning ingericht. Volgens de vrouw had de man toegezegd dat hij zijn inkomsten in december 2011 met haar zou delen. Later bleek hij echter niet bereid enige bijdrage voor haar te voldoen, terwijl zij wel gerechtigd is tot de helft van zijn verdiensten. De vrouw heeft de winkelinventaris meegenomen. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij deze heeft verkocht aan een vriendin met een winkel. Zij acht het niet rendabel, gelet op de huurprijzen in deze omgeving, zelf een winkel te exploiteren. Zij heeft vroeger als verkoopster gewerkt en begint in september met een opleiding tot sportmasseur om een baan te kunnen vinden in de welnessbranche. Op dit moment is zij de woning die zij heeft aanvaard aan het opknappen om een goede basis voor haar kinderen te hebben. De huur van de woning bedraagt € 600,-- per maand.
De rechtbank is van oordeel dat de keuze van de vrouw om naar Apeldoorn te verhuizen een begrijpelijke keuze is, maar het feit dat zij ten gevolge daarvan niet meer in staat is de winkel voort te zetten in Renesse dient niet voor rekening van de man te komen. Daarom stelt de rechtbank de verdiencapaciteit van de vrouw op € 6.668,-- netto per jaar, oftewel € 556,-- netto per maand. Niet is aannemelijk geworden dat de vrouw in staat kan worden geacht op zeer korte termijn met inkomsten uit arbeid hogere inkomsten te verwerven. Wel wordt van haar verwacht dat zij er alles aan doet om een baan te vinden waarmee zij zo zoveel mogelijk in haar eigen levens¬onderhoud gaat voorzien. Gelet op het bepaalde in artikel 1:81 vanPro het Burgerlijk Wetboek dienen echtgenoten elkaar zolang het huwelijk duurt over en weer het nodige te verschaffen, zodat het in ieder geval in het kader van de voorlopige voorziening niet redelijk is van de vrouw te verlangen in te teren op haar vermogen.
Met betrekking tot haar behoefte heeft de vrouw gesteld dat de uitgaven van partijen in het verleden circa € 2.000,-- per maand bedroegen en haar behoefte 60% daarvan, zijnde € 1.200,-- netto per maand bedraagt. Nu de man heeft aangegeven dat zijn maandelijkse uitgaven ca. € 2.000,-- per maand bedragen, is de behoefte van de vrouw aan een bedrag van ten minste € 1.200,-- netto per maand genoegzaam komen vast te staan. Verminderd met haar verdiencapaciteit heeft zij behoefte aan een bijdrage van de man van € 644,-- netto per maand, oftewel € 1.040,-- bruto per maand, uitgaande van 33,1% inkomstenbelasting en 5% inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. Het is redelijk dat de man naar draagkracht in deze behoefte voorziet.
Partijen zijn voorts verdeeld over de inkomsten die de man verwerft met zijn activiteiten.
De man heeft toegelicht dat hij over 2010 een verzamelinkomen had van € 10.375,-- na aftrek van de ondernemersaftrek. Op basis van een jaarinkomen van circa € 20.000,-- heeft hij onvoldoende draagkracht.
Ter zitting is gebleken dat de woning van partijen in Zeeland een koopwoning is waarop een hypotheekverplichting rust van circa € 860,-- per maand. De rechtbank gaat ervan uit dat de man ten minste de helft van de hypotheekrenteaftrek heeft opgevoerd.
Uitgaande van een verzamelinkomen van € 10.375,--, berekent de rechtbank de winst uit de vof die aan de man werd toegerekend, rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling, een eigenwoningforfait, dat bij gebreke van specifieke informatie in redelijkheid wordt gesteld op de helft van 0,55% van € 200.000,-- oftewel € 550,--, en de helft van de hypotheekrente, zijnde € 5.160,--, op een bedrag van € 24.294,-- per jaar.
Aangezien partijen hun onderneming in de vorm van een vof voerden, acht de rechtbank het aannemelijk dat zij ten tijde van hun samenleving beiden een aangifte IB indienden met ieder de helft van de inkomsten, nu dat fiscaal voordelig is. De totale winst van de vof stelt de rechtbank daarom op tweemaal het hiervoor berekende bedrag, oftewel € 48.588,-- per jaar. Nu de inkomsten uit de winkel daar tevens deel van uitmaken, dient hierop een bedrag van € 6.668,-- in mindering te worden gebracht om de verdiencapaciteit van de man te berekenen. Aldus zal de rechtbank - nu stukken ontbreken - bij de berekening van de huidige draagkracht van man uitgaan van een winst uit onderneming van € 41.920,-- per jaar. Uit de stellingen van partijen ter zitting omtrent de tarieven en opdrachten van de man leidt de rechtbank af dat dit een realistisch (en zeker niet bovenmatig) beeld van de verdiencapaciteit van de man geeft.
Thans rekening houdend met alles op jaarbasis, met de cijfers voor 2012 - de zelfstandigenaftrek ad € 7.280,--, de MKB winstvrijstelling ad € 4.157,--, het eigen-woningforfait ad € 1.100,--, de hypotheekrente ad € 10.320,--, de algemene heffingskorting ad € 2.033,--, de arbeidskorting ad € 1.533,-- en de inkomensheffing ad € 3.677,--, berekent de rechtbank het besteedbare inkomen van de man op afgerond € 3.186,-- per maand.
Bij de bepaling van het draagkrachtloze inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 935,-- per maand minus de wooncomponent van € 213,-- en van de navolgende, door de vrouw niet betwiste lasten op maandbasis:
- de hypotheekrente ad € 860,--;
- het forfait overige eigenaarslasten ad € 95,--;
- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 61,--, zijnde een in redelijkheid geschatte basispremie van € 110,-- verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 49,-- per maand.
Van de draagkrachtruimte is 60 % beschikbaar voor een onderhoudsbijdrage voor de vrouw. Aldus gerekend en rekening houdend met het fiscale voordeel wegens alimentatiebetaling, welk voordeel aan de vrouw wordt toegekend, heeft de man voldoende ruimte om te voorzien in de huwelijksgerelateerde behoefte van € 1.040,-- per maand. Dit bedrag acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.
De beslissing voor de duur van het geding
De rechtbank:
bepaalt dat de man € 1.040,-- (eenduizend veertig euro) per maand aan de vrouw zal betalen voor haar levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.