Belanghebbende, onderdeel van een conglomeraat van Nederlandse en Zwitserse vennootschappen, voerde marketing- en ondersteunende diensten uit voor kansspelen. De inspecteur legde naheffingsaanslagen omzetbelasting op over de jaren 2001-2005, stellende dat de diensten aan de Nederlandse vennootschap [belanghebbende A] waren verricht en niet aan de Zwitserse AG's. Belanghebbende betwistte dit en stelde onder meer dat de plaats van dienst buiten Nederland lag en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek van de inspecteur zorgvuldig was en dat het verdedigingsbeginsel niet was geschonden. Op grond van feiten en omstandigheden, waaronder het ontbreken van een overeenkomst met de Zwitserse AG's en verklaringen van betrokkenen, concludeerde de rechtbank dat de diensten aan de Nederlandse vennootschap waren verricht. De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd.
Verder werd het beroep ongegrond verklaard, maar vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep, werd het onderzoek heropend voor een nadere uitspraak over immateriële schadevergoeding. De Minister van Veiligheid en Justitie werd als partij in deze vervolgprocedure betrokken.