In deze strafzaak wordt verzoeker verdacht van het in de handel brengen van runderen waaraan verboden testosteronstoffen zijn toegediend. De verdediging verzocht om toevoeging van de SOP A1025-richtlijn aan het dossier, welke door RIKILT vanwege opsporingstechnische belangen niet werd verstrekt. De economische politierechter besloot daarop dat het openbaar ministerie de SOP-richtlijn niet hoefde te verstrekken, waarbij het algemeen belang zwaarder woog dan het verdedigingsbelang.
De raadsman van verzoeker diende vervolgens een wrakingsverzoek in tegen de economische politierechter, stellende dat diens beslissing partijdigheid en vooringenomenheid uitstraalde en dat de verdediging hierdoor in haar rechten werd beperkt. De rechtbank oordeelde dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat een wraking alleen kan worden toegewezen bij een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid.
De rechtbank stelde vast dat de economische politierechter een belangenafweging had gemaakt tussen het algemeen belang en het belang van de verdediging, zonder blijk te geven van partijdigheid. Het terugkomen op een eerdere beslissing van een collega-rechter was begrijpelijk vanwege nieuwe omstandigheden. De wraking werd daarom afgewezen en de strafzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.