Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte aanspraak op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn meerderjarige kinderen over het jaar 2009. De inspecteur had slechts een deel van de gevraagde aftrek toegestaan, omdat de kinderen deels studiefinanciering ontvingen en/of eigen inkomen en/of vermogen hadden.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan de bewijslast om recht op aftrek aan te tonen. Voor de kinderen die studiefinanciering ontvingen en/of een eigen inkomen hadden, kon niet worden aangenomen dat belanghebbende in belangrijke mate bijdroeg aan hun levensonderhoud. Ook het ontbreken van kennis over de financiële situatie van de kinderen door belanghebbende leidde niet tot een ander oordeel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten. Het oordeel is gebaseerd op de relevante bepalingen uit de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, die de voorwaarden voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar regelen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs voor aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn kinderen.