ECLI:NL:RBZWB:2013:6476

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 september 2013
Publicatiedatum
9 september 2013
Zaaknummer
AWB-12_5129
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.9 Wet IB 2001Art. 16, zesde lid, AWRArt. 27d AWRArt. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging heffingsrente en navordering gecombineerde heffingskorting 2005

Belanghebbende kreeg over 2005 een gecombineerde heffingskorting toegekend op basis van het inkomen van haar fiscale partner. In 2008 bleek het inkomen van de partner negatief, wat na verrekening met het inkomen van 2005 leidde tot een nihil saldo van gecombineerde inkomensheffing en heffingskorting. De inspecteur vorderde daarop de ten onrechte verleende heffingskorting bij belanghebbende na.

De rechtbank oordeelt dat de navordering terecht is op grond van artikel 16, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Belanghebbende voldeed achteraf niet aan de voorwaarden voor de heffingskorting omdat het maximumbedrag werd overschreden na verrekening van het negatieve inkomen van de partner. De inspecteur handelde binnen de wettelijke termijn.

Belanghebbende kon geen vaststellingsovereenkomst aantonen die navordering zou uitsluiten. De rechtbank vernietigt de beschikking heffingsrente omdat de inspecteur dit zelf heeft aangevoerd. De proceskosten worden aan de inspecteur opgelegd. Het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: De navordering van de gecombineerde heffingskorting over 2005 is terecht, maar de heffingsrente wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Procedurenummer AWB 12/5129
Uitspraak van 5 september 2013
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,
de inspecteur.
12/5129
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 23 augustus 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2005 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PH) en de daarbij vastgestelde heffingsrente van € 612 (aanslagnummer [aanslagnummer].H57)
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2013 te Tilburg.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde, [gemachtigde] verbonden aan [kantoornaam gemachtigde], en namens de inspecteur, [verweerder].

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voorzover het de heffingsrente betreft;
  • vernietigt de beschikking heffingsrente;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 487;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan haar vergoedt.

2.Gronden

2.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2005 met dagtekening 7 november 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PH) opgelegd, waarbij de gecombineerde heffingskorting van € 2.761 werd verleend. Dit bedrag is aan belanghebbende uitbetaald. Belanghebbende had over 2005 zelf geen inkomen.
De heffingskorting is aan belanghebbende verleend ingevolge artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB). Het saldo van de gecombineerde inkomensheffing en gecombineerde heffingskorting van de partner was hiervoor hoog genoeg.
2.2.
Over het jaar 2008 was het inkomen van de partner negatief. Met dagtekening 17 augustus 2011 is dit negatieve inkomen verrekend met het inkomen van de partner in 2005. Na deze verrekening is over 2005 het saldo van de gecombineerde inkomensheffing en gecombineerde heffingskorting voor de partner nihil. De inspecteur heeft in verband hiermee op 28 oktober 2011 de onder 2.1 genoemde heffingskorting van belanghebbende nagevorderd. In geschil is of dit terecht is.
2.3.
Ingevolge artikel 16, zesde lid, van de AWR blijft, indien een heffingskorting tot een te hoog bedrag is verleend aan de belastingplichtige doordat het maximumbedrag van artikel 8.9 Wet IB 2001 is overschreden, de bevoegdheid tot navorderen bestaan tot acht weken na het tijdstip waarop de verminderingsbeschikking van de fiscale partner onherroepelijk is geworden.
2.4.
Gelet op de feiten vermeld onder 2.1 en 2.2 voldoet belanghebbende, achteraf bezien, niet aan de voorwaarden van artikel 8.9 van de Wet IB. Immers, door de verrekening bij de partner van het negatieve inkomen van 2008 met zijn inkomen van 2005, overtreft de gecombineerde inkomensheffing van de partner over het jaar 2005 de gecombineerde heffingskorting niet meer. De gecombineerde heffingskorting is dan ook ten onrechte aan belanghebbende verleend. De inspecteur heeft dit op grond van artikel 16 van Pro de AWR terecht hersteld. Hij is hierbij binnen de wettelijke termijn gebleven.
2.5.
Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur maakt belanghebbende niet aannemelijk dat er tussen haar en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst is gesloten. De brief van de inspecteur van 20 oktober 2010 biedt hiervoor geen aanknopingspunten en de inhoud van die brief staat ook overigens niet aan de mogelijkheid tot navordering in de weg. Er zijn ook geen overige omstandigheden waaruit het bestaan van een vaststellingsovereenkomst kan worden afgeleid.
2.6.
Uit de stukken van het geding blijkt dat van een overschrijding van de redelijke
termijn geen sprake is, zodat geen grond bestaat voor een schadevergoeding.
2.7.
Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat hij, gelet op de omstandigheden van het geval, aanleiding ziet om te concluderen dat de beschikking heffingsrente moet worden vernietigd. De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen.
2.8.
Gelet op het vorenstaande is beslist als voormeld.

3.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 472 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). De door belanghebbende genoemde kosten voor PostNL van € 7,50 komen niet voor vergoeding in aanmerking. Voor de overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reis- en verblijfskosten wordt de inspecteur, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van afgerond € 15.
Deze uitspraak is gedaan op 5 september 2013 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.