ECLI:NL:RBZWB:2013:6495

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 september 2013
Publicatiedatum
10 september 2013
Zaaknummer
AWB-13_1903
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZArtikel 27d AWRArtikel 27h, derde lid AWRArtikel 28, zevende lid AWR
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling lagere WOZ-waarde sportcomplex wegens onvoldoende onderbouwing taxatierapport

Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van het sportcomplex, die aanvankelijk was vastgesteld op €1.505.000 en na bezwaar werd verlaagd tot €1.404.000. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet lager was dan €1.404.000, omdat het taxatierapport enkel een opsomming en berekening van onderdelen bevatte zonder voldoende toelichting op de toegepaste waarderingspercentages en verschillen in onderbouwing.

De rechtbank achtte de gebruikte taxatiemethode aan de hand van de taxatiewijzer geschikt, maar vond de nadere toelichting en onderbouwing van de waardering van grond en specifieke posten zoals hekwerk en dakterras onvoldoende. Belanghebbende kon zijn lagere waarde van €1.100.000 niet aannemelijk maken. Daarom bepaalde de rechtbank de waarde van het sportcomplex in goede justitie op €1.200.000.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende, verminderd met reeds toegekende kosten bij bezwaar. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. de Werd en is openbaar uitgesproken op 11 september 2013.

Uitkomst: De WOZ-waarde van het sportcomplex is vastgesteld op €1.200.000 en de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig verminderd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Procedurenummer AWB 13/1903
uitspraak van 11 september 2013
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats X],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de [gemeente X],
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de heffingsambtenaar van 22 februari 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaats X] (hierna: het sportcomplex), is gewaardeerd op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2012.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], en namens de heffingsambtenaar, [verweerder] en [taxateur R].

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • vermindert de vastgestelde waarde tot € 1.200.000 en vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.414;
- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van
€ 318 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van het sportcomplex, per waardepeildatum 1 januari 2011 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld voor het kalenderjaar 2012 op € 1.505.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2012 bekend gemaakt. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde verminderd tot € 1.404.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd. De heffingsambtenaar heeft daarbij € 470 proceskosten toegekend.
2.2.
Belanghebbende is gebruiker van het sportcomplex. Het sportcomplex omvat twee voetbalvelden, een trainingsveld, een kantine met vergader- en opslagruimten en met een dakterras, was- en kleedruimten, een lichtinstallatie en hekwerk. Het geheel is in 2003 gebouwd voor € 1.600.000 exclusief grond en omzetbelasting.
2.3.
In geschil is de waarde van het sportcomplex op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 1.100.000, de heffingsambtenaar blijft bij een waarde van € 1.404.000.
2.4.
De rechtbank stelt voorop dat een gebrekkige motivering van een uitspraak op bezwaar, zo daar al sprake van is, nog niet met zich meebrengt dat een vastgestelde waarde onjuist is. Belanghebbendes stelling dienaangaande faalt derhalve.
2.5.
De bewijslast inzake de juistheid van de aan het sportcomplex toegekende waarde ligt bij de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt door [taxateur R], voornoemd, die de waarde van het sportcomplex heeft getaxeerd op € 1.443.000. Het taxatierapport bevat fotomateriaal van het sportcomplex en een onderbouwing. De onderbouwing bestaat uit een opsomming van de verschillende onderdelen van het sportcomplex, hun grootte, bijbehorende, grotendeels uit de Taxatiewijzer Sport (hierna: de taxatiewijzer), afgeleide kengetallen, percentages van technische en functionele veroudering, de eindwaarde per onderdeel en de totale eindwaarde. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar een nieuwe onderbouwing overgelegd met een eindwaarde van € 1.417.000 (afgerond).
2.6.
De rechtbank stelt voorop dat zij een taxatie van een sportcomplex als het onderhavige aan de hand van de taxatiewijzer een geschikte methode acht.
2.7.
Met het hiervoor vermelde taxatierapport heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het sportcomplex op de waardepeildatum geen lagere waarde in het economische verkeer had dan € 1.404.000. Hierbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Het taxatierapport bevat behoudens de in 2.5 beschreven onderbouwing geen toelichting op de percentages van technische en functionele veroudering. De ter zitting overgelegde onderbouwing bevat tevens verschillen ten opzichte van de bij het taxatierapport overgelegde onderbouwing. Zo is het aantal m² van de in de onderbouwing vermelde extra grond verhoogd van 24.710m² naar 33.527m², is er een andere waarde toegekend aan de bebouwde grond, is er een post (hekwerk) verdwenen en een post (inst tribune) aan toegevoegd. Voorts zijn de posten hekwerk en het dakterras niet in de taxatiewijzer gespecificeerd zodat de in de onderbouwing opgenomen waarden daarvoor niet te herleiden zijn. De rechtbank is van oordeel dat met een dergelijk taxatierapport, met enkel verwijzingen naar de taxatiewijzer zonder dat een nadere toelichting wordt gegeven op de diverse posten, de waarde niet voldoende wordt onderbouwd. Weliswaar heeft de heffingsambtenaar ter zitting nader uitleg gegeven over de waardering van enkele posten maar de rechtbank is van oordeel dat die uitleg tekort schiet. Zo is de grondwaarde nader onderbouwd met de enkele verklaring van de heffingsambtenaar dat hij bij de gemeente intern de uitgifteprijs van dergelijke grond heeft nagevraagd en dat deze € 100 per m² is. Tegenover de betwisting van belanghebbende acht de rechtbank deze onderbouwing, gelet op de omstandigheid dat van uitgifte van grond ten behoeve van sportcomplexen naar het de rechtbank voorkomt maar sporadisch sprake is, onvoldoende.
2.8.
Belanghebbende heeft, met hetgeen hij heeft aangevoerd, naar het oordeel van de rechtbank evenmin de door hem gestelde waarde aannemelijk gemaakt.
2.9.
Nu geen van de partijen de door hen gestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt bepaalt de rechtbank de waarde van het sportcomplex op de waardepeildatum in goede justitie op € 1.200.000 en stelt de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig vast.
2.10.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.
2.11.
De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.414 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). De heffingsambtenaar heeft bij de uitspraken op bezwaar reeds € 470 toegekend zodat € 944 resteert. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.
Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2013 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.
De griffier, de rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.