Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam in Duitsland, diende over de jaren 2007, 2008 en 2009 papieren aangiften in zonder zijn Duitse looninkomsten te vermelden, hoewel hij aangaf volledig in Duitsland werkzaam te zijn. De Belastingdienst verwerkte deze aangiften geautomatiseerd en keerde algemene heffingskorting uit. Na controle legde de inspecteur navorderingsaanslagen op wegens onjuistheden.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur gehouden was nader onderzoek te doen omdat de aangiften onwaarschijnlijk waren, maar dit naliet, wat een ambtelijk verzuim vormt en geen nieuw feit oplevert. De vraag was vervolgens of belanghebbende te kwader trouw was. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij te weinig belasting betaalde door zijn Duitse loon niet te vermelden, ondanks eerdere aanslagen waarin dit werd gecorrigeerd.
Daarom zijn de navorderingsaanslagen terecht opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter C.A.F.M. Stassen op 27 september 2013.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslagen wordt ongegrond verklaard wegens kwade trouw van belanghebbende.