Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
€ 10.000,= per overtreding voor iedere dag dat enige overtreding van dit verbod voortduurt;
3.De beoordeling
"diverse signalen van diverse partijen uit de markt en vanuit de pers, die zouden impliceren dat er, met uitsluiting van anderen, exclusief zaken werd gedaan door WSG met bepaalde aannemers, leveranciers en dienstverleners, waarbij het vermoeden zou kunnen rijzen dat er meer dan strikt zakelijke overwegingen zijn geweest om met die aannemers, leveranciers en dienstverleners zaken te doen alsmede de signalen die vragen oproepen over de zakelijkheid van het aankopen van bepaalde grondposities."
‘De werkgever betaalt de werknemer in verband met de beëindiging van het dienstverband een vergoeding voor de fictieve opzegtermijn van 6 maanden ter grootte van € 67.218,= bruto, alsmede wegens gederfde of nog te derven inkomsten danwel suppletie op een eventueel te ontvangen uitkering danwel elders te verdienen lager salaris een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid van € 195.000 bruto (zegge: eenhonderd vijf en negentig duizend euro). Werkgever maakt het netto equivalent van dit bedrag (na verplichte inhoudingen door werkgever) in twee tranches over aan de werknemer met inachtneming van het hierna volgende:a. Een eerste tranche van € 130.000,= wordt betaald binnen 3 weken na beëindiging van het dienstverband.b. De tweede tranche van € 65.000,= wordt betaald per 1 oktober 2011, op voorwaarde dat alsdan uit onderzoek is gebleken, dat werknemer zijn functie heeft vervuld, zoals van een goed en integer directeur-bestuurder mag worden verwacht. Werknemer zal zonder voorbehoud alle noodzakelijke medewerking verlenen aan het onderzoek.’
‘Behoudens en voor zover de uitvoering van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen betreft, hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, de wijze van beëindiging daarvan en de daarmee gepaard gaande financiële afwikkeling of anderszins en verlenen partijen elkaar algehele finale kwijting. Partijen erkennen dat behalve de afspraken welke zijn vastgelegd in deze vaststellingsovereenkomst, geen nadere afspraken en/of overeenkomsten meer bestaan. ‘
Met uw cliënt is de mogelijkheid van onregelmatigheden bij het aangaan van de beëindigingsovereenkomst besproken. Uw cliënt heeft WSG echter voorgehouden dat dit niet het geval was en hij heeft dat nadien meermalen herhaald, laatstelijk nog in zijn zogenaamde overdrachtdocument, doch ook via u in uw uitgebreide brief van 26 mei jongstleden. Een en ander heeft dan ook tot de opdracht aan PWC geleid (…). Thans is echter duidelijk dat geconcludeerd kan worden dat uw cliënt niet alleen als statutair bestuurder een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak zoals bedoeld in artikel 2:9 BW Pro en intern vastgelegd in de arbeidsovereenkomst van cliënt, de statuten, de integriteitscode, bestuursreglementen en governance voorschriften, die nota bene door uw cliënt mede zijn vormgegeven, heeft geschonden, doch dat hij opzettelijk en bewust roekeloos namens WSG handelingen heeft verricht waardoor hij aansprakelijk is voor de dientengevolge door cliënte geleden schade ex artikel 7:661 BW Pro. Indien het bovenstaande (de Raad van Toezicht van) cliënte duidelijk was geweest bij het sluiten van de overeenkomst, had zij nimmer de overeenkomst onder dezelfde voorwaarden gesloten, reden waarom zij thans subsidiair, indien uw cliënt mocht willen betwisten dat de ontbindende voorwaarde in artikel 2 van Pro de overeenkomst ziet op de gehele beëindigingsvergoeding inclusief bijkomende betalingen, op basis van het bepaalde in artikel 3:44 BW Pro, de overeenkomst wat betreft de beëindigingsvergoeding, afkoopsom van vakantiedagen en compensatie van het pensioen, in ieder geval vernietigt. In dat verband wijs ik er voor de goede orde nog op dat er weliswaar in de beëindigingsovereenkomst een finale kwijting is opgenomen, toch deze dient te worden beoordeeld aan de hand van het – naar ik aanneem buiten twijfel u bekende – Haviltex criterium, in welk kader kan worden vastgesteld dat, mede gelet op het bepaalde in artikel 2 en Pro de over en weer gewekte verwachtingen, partijen niet hebben bedoeld elkaar finaal te kwijten met betrekking tot het thans ontdekte onregelmatigheden en de daaruit voortvloeiende schade. De schade uit de onregelmatigheden en met name de omvang ervan was immers ten tijde van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst niet bekend en uw cliënt heeft daaromtrent ook geen enkele mededeling gedaan.’
Behoudens en voor zover de uitvoering van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen betreft, hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen…’. Er is derhalve niet opgenomen dat er een uitputtende regeling bedoeld is te treffen. Bovendien ziet de finale kwijting in de overeenkomst niet op de aansprakelijkheid volgend uit artikel 2:9 BW Pro, nu deze daarin niet im- of expliciet wordt genoemd. Daarnaast stelt WSG zich op het standpunt dat zij op grond van de onjuiste inlichtingen van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] omtrent het aangaan van verweten transacties in ernstige mate heeft gedwaald en overeenkomst bij brief van 30 juni 2011 rechtsgeldig partieel heeft vernietigd.
€ 65.000,=, aldus [gedaagde in conventie / eiser in reconventie].
uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, de wijze van beëindiging of anderszins’ van elkaar te vorderen hebben. Dat doet ook recht aan het feitelijk gegeven dat de overeenkomst zowel het einde van de arbeidsovereenkomst als het einde van het bestuurderschap van [gedaagde in conventie / eiser in reconventie] regelt.
€ 65.000,= wordt afgewezen.
4.De beslissing
€ 67.218,= vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag van betaling;
€ 130.000,= te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 mei 2011 tot aan de dag van betaling;
€ 65.000,= vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag van betaling;
€ 25.000,= vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag van betaling;