Conclusie
1.Feiten
2.Het procesverloop
‘Aanhangsel vervalt en wordt vervangen door volzin bij art. 2b.’. Met de tweede volzin bij artikel 2b wordt kennelijk gedoeld op de voorwaarde dat de tweede tranche van € 65.000,= eerst wordt betaald als uit onderzoek is gebleken dat [verweerder] zijn functie heeft vervuld zoals van een goed en integer directeur-bestuurder mag worden verwacht. [betrokkene 4] heeft hierover in zijn schriftelijke verklaring opgenomen dat WSG zich er terdege bewust van was dat WSG met het artikel over finale kwijting uitdrukkelijk afzag van de mogelijkheid om [verweerder] op welke grond dan ook anders of verder dan in artikel 2 sub b van Pro de beëindigingsovereenkomst is bepaald, aansprakelijk te stellen en/of hierover te procederen.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
[…] / […]-zaak, waarin de werkgever van de voormalige werknemer schadevergoeding eiste op grond van wanprestatie vanwege het zoekraken van een geldbedrag en de voormalig werknemer zich op finale kwijting beriep:
[…] / […]-zaak heeft de Hoge Raad overwogen:
ABN AMRO/ […]-arrest van het hof Amsterdam, dat de Hoge Raad onder verwijzing naar artikel 81 RO Pro in stand heeft gelaten, is overwogen:
Servatius-zaak betrof het net als in de onderhavige zaak wel een bestuurder, ook van een woningbouwstichting, en was eveneens de (voor)vraag aan de orde of de overeengekomen finale kwijting aan een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid in de weg stond. Ter achtergrond is relevant dat voor de statutair bestuurder van een stichting (nog) niet geldt dat een ontslag van het bestuurderschap in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft. [11] De rechtbank Oost-Brabant oordeelde:
Servatius-zaak nog betoogd dat relevant is om vast te stellen of partijen zich ten tijde van het sluiten van de beëindigingsovereenkomst bewust waren (of konden zijn) van bezwaren op het vlak van de taakvervulling door de bestuurder. Mocht de vennootschap daar toen weet van hebben gehad dan had de bestuurder volgens haar mogelijk kunnen aanvoeren dat hij het kwijtingsbeding zo had mogen begrijpen dat het ook betrekking had op een eventuele bestuurdersaansprakelijkheidsclaim. [17] Ik wijs ook nog op het standpunt van Verburg: “Goed verdedigbaar is dat als een bij ontslag overeengekomen vertrekregeling niets bevat op het punt van de aansprakelijkheid voor het gevoerde beleid, een finale kwijtingsclausule die zich concentreert op de arbeidsovereenkomst en het einde daarvan niet de weg barricadeert naar het instellen van een vordering door de vennootschap met als inzet de stelling dat de bestuurder ernstig verwijtbaar heeft gehandeld” [18] .
binnende beëindigingsovereenkomst een onderscheid hebben gemaakt tussen het bestuurderschap van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst. Het hof heeft daarbij verwezen naar artikel 1 van Pro de beëindigingsovereenkomst waarin verschillende einddata zijn opgenomen voor het bestuurderschap en de arbeidsovereenkomst. Daarna heeft het hof in rov. 9.10 tot en met 9.12 overwogen welke documenten en stellingen hij heeft betrokken bij zijn oordeel. In rov. 9.13 heeft hij die in onderling verband en samenhang beoordeeld. De conclusie daarvan is dat de
afwikkelingvan het bestuurderschap onderdeel was van de beëindigingsovereenkomst.
ABN AMRO/ […]-zaak is het onderwerp van geschil in de onderhavige zaak volgens het hof wél ter sprake geweest. De onderhavige zaak verschilt in die zin van de
Servatius-zaak, dat de rechtbank in de laatstgenoemde zaak ervan is uitgegaan dat de bestuurdersaansprakelijkheid
nietaan de orde is gekomen bij de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst, omdat de bestuurder dat niet had gesteld en ook niet was gebleken dat de RvT stil had gestaan bij de beëindiging van het bestuurderschap.
afwikkelingvan het bestuurderschap onderdeel was van de beëindigingsovereenkomst.
bijvoorbeelddoor een voorbehoud met die inhoud op te nemen in de beëindigingsovereenkomst.
had kunnenmaken dat hij na het sluiten van de beëindigingsovereenkomst alsnog op grond van bestuurdersaansprakelijkheid kon worden aangesproken, maar dat zij dat niet heeft gedaan. Gelet op hetgeen ik over subonderdeel 1.1 en 1.2 heb opgemerkt, draagt de overweging van het hof over het voorbehoud dus niet (op zichzelf) het oordeel dat [verweerder] redelijkerwijs mocht begrijpen dat de beëindigingsovereenkomst aan een vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid in de weg zou staan. De klacht faalt.
te weinigtegenprestatie stond tegenover de overeengekomen finale kwijting zodat WSG dat niet bedoeld kan hebben en het hof bij de uitleg van de overeenkomst rekening had moeten houden met de ernstige gevolgen (en het mogelijke nadeel) van finale kwijting, geldt mijns inziens het volgende.
de conceptversievan de beëindigingsovereenkomst de woorden ‘of anderszins’ ook al waren gebruikt. Het uiteindelijk niet opnemen van het aanhangsel zou dus onmiskenbaar niet tot een andere/bredere formulering van de finale kwijting van art. 13 hebben Pro geleid.
nietvolgt dat WSG daarmee afzag om [verweerder] op een andere grond aansprakelijk te stellen. In dit verband wordt verwezen naar de volgende stellingen die WSG in de memorie van grieven heeft ingenomen:
in ieder gevalgevolgen zou hebben voor de hoogte van de beëindigingsvergoeding;
hunkijk op de bedoeling van WSG bij de beëindigingsovereenkomst en tot
hunconclusie dat de uiteindelijke tekst van de beëindigingsovereenkomst daarmee in overeenstemming was. Daar staat tegenover dat [betrokkene 4] , die als derde de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst voor beide partijen heeft begeleid, het tegenovergestelde heeft verklaard. De lezing van [betrokkene 4] wordt bovendien ondersteund door de tekst van de beëindigingsovereenkomst (rov. 9.10), het concept-aanhangsel dat niet is gefinaliseerd (rov. 9.11) en de e-mail van [betrokkene 4] van 18 april 2011 (rov. 9.12). Anders dan de klachten betogen heeft het hof zijn oordeel dus niet uitsluitend op de verklaring van [betrokkene 4] gebaseerd en dienen de (getuigen)verklaringen, het concept-aanhangsel en de e-mail van [betrokkene 4] niet geïsoleerd, maar in onderling verband en samenhang te worden beoordeeld. Ik kan deze motivering van het hof goed volgen. Deze motivering komt mij ook niet onjuist voor.
subonderdeel 2.1is een voortbouwklacht die zelfstandige betekenis mist, zodat deze in het lot van subonderdeel 1.6 deelt.
Ebele Dillema II-arrest heeft de Hoge Raad onder het oude recht overwogen:
[…] / […]-arrest heeft de Hoge Raad overwogen, zonder dat expliciet afstand is gedaan van het
Ebele Dillema II-arrest:
Ebele Dillema II-arrest geldt en verder overwogen dat partijen voorafgaand aan het sluiten van de beëindigingsovereenkomst – samengevat – twistten over de vraag of WSG [verweerder] met succes kon aanspreken op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Dat daarover tussen partijen onzekerheid bestond, volgt uit de opdrachtverlening voor het PWC-onderzoek, aldus het hof. Het hof concludeert vervolgens dat partijen over dat twistpunt en die onzekerheid een regeling hebben getroffen in de vaststellingsovereenkomst en dat het beroep op dwaling daarop afstuit.
in beginselgeen beroep kunnen doen op dwaling terzake van hetgeen waarover juist getwist werd en onzekerheid bestond en partijen een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan. Daarmee heeft het hof de mogelijkheid opengelaten dat, zoals in het
[…] / […]-arrest is geoordeeld, een beroep op dwaling niet is uitgesloten. Dat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Deze rechtsklacht faalt derhalve.
onderdeel 3is een voortbouwklacht en mist zelfstandige betekenis, zodat deze eveneens faalt.