Belanghebbende, het bestuur van een rooms-katholiek religieus instituut, liet een verpleegtehuis bouwen dat werd verhuurd aan een zorginstelling. De verhuur was vrijgesteld van omzetbelasting. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op wegens een integratielevering van het verpleegtehuis. Belanghebbende vroeg teruggaaf van voorbelasting op grond van de herzieningsregeling, welke de inspecteur verleende op basis van de integratieheffing.
De rechtbank vernietigde eerder de naheffingsaanslag omdat belanghebbende een goedkeuring van de Staatssecretaris kon toepassen, waardoor de integratieheffing achterwege kon blijven mits werd afgezien van aftrek van voorbelasting. De inspecteur stelde dat de teruggaaf te hoog was vastgesteld en legde een nieuwe naheffingsaanslag op, gebaseerd op de daadwerkelijk betaalde voorbelasting.
De kern van het geschil was of bij toepassing van de herzieningsregeling mocht worden uitgegaan van de integratielevering of van de daadwerkelijk betaalde voorbelasting. De rechtbank oordeelde dat de herzieningsregeling uitgaat van de oorspronkelijke grondslag van de aftrek en dat belanghebbende door gebruik te maken van de goedkeuring heeft aanvaard dat de grondslag de betaalde voorbelasting is.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende en oordeelde dat de inspecteur de teruggaaf niet te laag heeft vastgesteld. Ook werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen omdat de inspecteur duidelijk had gemaakt dat de teruggaaf was gebaseerd op de integratieheffing, terwijl belanghebbende later bezwaar maakte tegen die heffing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.