Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was houder van een motorrijtuig dat oorspronkelijk als gasvoertuig was geregistreerd, maar later als benzinevoertuig. Tijdens een controle werd vastgesteld dat het voertuig nog steeds essentiële onderdelen van een gasinstallatie bevatte, waaronder een gastank, vulopening en keuzeschakelaar.
De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting op voor het verschil tussen het gas- en benzinetarief, inclusief een boete. Belanghebbende voerde aan dat het gastarief niet terecht was omdat de gasinstallatie niet volledig of bruikbaar was.
De rechtbank oordeelde dat voor het toepassen van het gastarief het voertuig slechts enkele essentiële onderdelen van een gasinstallatie hoeft te bevatten, ongeacht de bruikbaarheid. De naheffingsaanslag en boete werden daarom bevestigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en boete zijn terecht opgelegd; het beroep wordt ongegrond verklaard.