Belanghebbende exploiteerde een champignonkwekerij en verkocht de oogst in 2005 en 2006 via een Poolse vennootschap die de oogst liet uitvoeren door Poolse werknemers. De rechtbank stelde vast dat de verkoopcontracten niet de werkelijke situatie weerspiegelden en dat belanghebbende het belang bij de oogst had behouden. Hierdoor werd de winst die de Poolse vennootschap behaalde, toegerekend aan belanghebbende, wat leidde tot naheffing van omzetbelasting en vennootschapsbelasting.
De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting, een boete van 50% wegens opzet en heffingsrente op. Belanghebbende voerde onder meer aan dat sprake was van dubbele heffing en dat niet alle stukken waren overgelegd. De rechtbank verwierp de stelling van dubbele heffing en oordeelde dat de inspecteur alle relevante stukken had overgelegd. De boete werd passend bevonden, maar wegens overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer een jaar werd deze met 15% verminderd.
Het beroep werd gegrond verklaard voor zover het de boete betrof en ongegrond voor het overige. De rechtbank besloot het onderzoek te heropenen voor een nadere uitspraak over immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.