3. De beoordeling
3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
a. [eiser] (geboren op 24 september 1957) is directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf eiser] (hierna: [bedrijf eiser]). [eiser] exploiteert met die vennootschap een klusbedrijf.
b. Bij de start van het bedrijf in 1999 heeft [bedrijf eiser] een zogenaamde ‘Bedrijven Compact Polis’ (polisnummer 69720788) bij Interpolis afgesloten. In het kader daarvan is [bedrijf eiser] in de rubriek ‘verkeer’ onder meer een schadeverzekering inzittenden aangegaan welke dekking biedt tegen schade die inzittenden van een verzekerd motorrijtuig lijden tot een ‘verzekerd bedrag per aanspraak’ van EURO 910.000,00. Voorts is in de rubriek ‘rechtsbijstand’ een rechtsbijstandverzekering gesloten.
c. Op de verzekeringen zijn van toepassing de verzekeringsvoorwaarden Bedrijven Compact Polis MKB, versie 4.1 (hierna: ‘de polisvoorwaarden’). Meer in het bijzonder ten aanzien van de schadeverzekering inzittenden is van toepassing hoofdstuk 4 (met het kopje ‘Verkeer’), paragraaf 0 (‘Algemeen deel Verkeer’) en paragraaf 10 (‘Schadeverzekering in-/opzittenden’). Een aantal bepalingen in paragraaf 0 hebben betrekking op vergoedingen boven verzekerde bedragen van een aantal verkeersverzekeringen, maar geen van die bepalingen heeft betrekking op de schadeverzekering inzittenden. Voor zover van belang is in paragraaf 10 vermeld:
“(…)
Omvang van de verzekering
Tot maximaal het verzekerd bedrag is per gebeurtenis verzekerd de schade die de verzekerden lijden als gevolg van een (verkeers-)ongeval.
Onder schade wordt verstaan:
1. schade aan personen: de schade voortvloeiende uit letsel (…)
2. schade aan zaken: (…)
Vaststelling vergoeding
Wordt een verzekerde gedood of gewond, dan zal bij de vaststelling van de omvang van de vergoeding en van degenen die recht hebben op vergoeding, het bepaalde in de artikelen 6:107 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek dienovereenkomstig worden toegepast.
(…)”
d. Meer in het bijzonder ten aanzien van de rechtsbijstandverzekering is volgens het polisblad van toepassing hoofdstuk 6 paragraaf 4 van de polisvoorwaarden. De toepasselijke voorwaarden zijn niet overgelegd.
e. Op 24 december 2004 heeft [eiser] als bestuurder van een verzekerde bedrijfsauto een eenzijdig ongeval gehad waarbij hij onder meer een fractuur opliep van een rugwervel (Th12). De schade van [eiser] wordt gedekt door de schadeverzekering inzittenden. Na het ongeval heeft [eiser] zijn werkzaamheden grotendeels niet hervat.
f. [eiser] heeft het ongeval bij Interpolis gemeld en aanspraak gemaakt op uitkering onder de verzekering. Interpolis is in overleg getreden met [eiser] over de te vergoeden schade, onder anderen in de persoon van [schaderegelaar], als schaderegelaar in dienst van Interpolis (buitendienst). De arbeid van [eiser] is in kaart gebracht en zijn klachten en beperkingen zijn onderzocht door middel van een op 10 maart 2006 verrichte medische expertise.
g. Op 21 juni 2006 heeft een bespreking plaatsgehad tussen [eiser], diens boekhouder [boekhouder 1] en [boekhouder 2]. In het verslag van die bespreking van [boekhouder 2] (productie 7 dagvaarding), waarin [boekhouder 1] kennelijk per abuis is aangeduid als [boekhouder 1], is onder meer het volgende vermeld:
“Vervolgtraject
Ik heb benadeelde [eiser] uitgebreid uitgelegd wat de te volgen stappen zijn in de verdere afhandeling van zijn schade. Ik heb hem het traject geschetst van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, en eventueel een Valueator de opdracht te geven om de waarde van het bedrijf te schatten en in kaart te brengen wat het bedrijf in de toekomst gegenereerd zou kunnen hebben. Benadeelde [eiser] geeft te kennen dat het hem allemaal veel te lang duurt. (…) Ik heb benadeelde [eiser] uitgelegd dat er ook nog een andere route te volgen is, namelijk dat hij in kaart brengt wat zijn bedrijf in de toekomst gegenereerd zou hebben, en wat hij meent als gevolg van het ongeval tekort te komen. Uit het verhaal blijkt dat benadeelde [eiser] zich nauwelijks nog in staat acht om zijn restverdiencapaciteit te gelde te maken. (…) Na hier uitgebreid over gediscussieerd te hebben, is er met boekhouder [boekhouder 1] en benadeelde [eiser] afgesproken dat zij tot september 2006 de tijd zullen nemen om een claim te formuleren. Zoals ik de boekhouder inmiddels heb leren kennen, moet hij in staat gesteld worden om een realistische kijk op het bedrijf op papier te zetten.
(…)
Ik heb met de boekhouder [boekhouder 1] afgesproken dat de berekeningen die wij (toevoeging rechtbank: de berekeningen van Interpolis van de voorschotten op de arbeidsvermogensschade) in dit stadium maken, puur bedoeld zijn om de voorschotten te beoordelen en te verantwoorden. In een later stadium zullen wij mogelijk wat meer de puntjes op de i moeten gaan zetten, tenzij wij in september 2006 de zaak kunnen gaan sluiten met een lumpsum.
(…)”
h. Bij brief van 22 september 2006 heeft [boekhouder 1] bericht over de door hem berekende schade. Uit de brief blijkt dat de schadeberekening gebaseerd is op de jaarcijfers van het bedrijf van 2002 tot en met 2004 en de door [eiser] geventileerde verwachtingen ten aanzien van de hypothetische situatie zonder ongeval. Met inachtneming van onder meer deze uitgangspunten, is de jaarschade door [boekhouder 1] berekend op EURO 75.000,00 en de contante waarde daarvan op EURO 1.030.000,00.
i. Bij brief van 10 oktober 2006 heeft Interpolis [eiser] omtrent de door [boekhouder 1] berekende schade onder meer het volgende medegedeeld: “(…) Ik kan u nu al wel aangeven dat zo’n bedrag voor ons onbespreekbaar is. Zo vind ik bijvoorbeeld de onderbouwing voor een uitbreiding van uw bedrijf met vier personen nergens terug. Verder is er nog de vraag of er sprake is van een restverdiencapaciteit. (…)”
j. Nadat over de kwestie bij Interpolis intern overleg had plaatsgevonden, heeft Interpolis [eiser] bij brief van 16 november 2006 bericht dat de ideeën van Interpolis over de slotbetaling en de ideeën van [eiser] onoverbrugbaar lijken en dat zij geen andere mogelijkheid ziet dan nader onderzoek door deskundigen te laten verrichten. In de brief zijn meer concreet onderzoeken genoemd door een verzekeringsgeneeskundige, een arbeidsdeskundige en een bedrijfseconoom. In de brief is verder vermeld: “Ik kan mij voorstellen dat deze procedure wellicht omslachtig overkomt. Echter op deze manier is vrij concreet en zorgvuldig vast te stellen wat uw schade is. Inschakeling van een belangenbehartiger die gespecialiseerd is in het behandelen van letselschaden lijkt in dit stadium wenselijk. Ik stel voor dat u inschakeling van een dergelijke deskundige in overweging neemt.”
k. Op 21 december 2006 heeft [eiser] zich gewend tot het kantoor Asselbergs & Klinkhamer advocaten te Etten-Leur. Een aan dit kantoor verbonden advocaat is de belangen van [eiser] gaan behartigen in verband met de door hem als gevolg van het ongeval geleden schade. De behandelend advocaat heeft bij Interpolis gevraagd naar de verzekerde som van de schadeverzekering inzittenden en naar het bestaan van een ongevallenverzekering. Zij heeft noch Interpolis, noch [eiser] gevraagd naar het bestaan van een rechtsbijstandverzekering.
l. In het kader van de onderhandelingen over de schadevergoeding hebben vervolgens deskundigenonderzoeken plaatsgehad door achtereenvolgens een verzekeringsgeneeskundige, een arbeidsdeskundige, een rekenkundige en een bedrijfseconoom, een en ander teneinde de schade te bepalen.
m. Tijdens een overleg op 22 juni 2011 hebben partijen geconcludeerd dat de schade van [eiser] de verzekerde som van de schadeverzekering inzittenden zou overtreffen. Bij brief van 24 juni 2011 heeft Interpolis een conceptvaststellingsovereenkomst toegezonden ter ondertekening door [eiser]. Hierop heeft [eiser] zich bij brief van 4 juli 2011 bij monde van zijn raadsvrouw op het standpunt gesteld dat de gemaakte buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente buiten de verzekerde som om vergoed dienen te worden. In de brief is verder vermeld dat tot dan toe EURO 360.000,00 aan voorschotten op de schade was verstrekt en is verzocht om uiterlijk 7 juli 2011 het restant van de verzekerde som, te weten EURO 550.000,00 te voldoen.
n. Interpolis heeft hierop een bedrag van EURO 518.000,00 betaald en een bedrag van EURO 556,91 aan rente over dit bedrag vanaf 7 juli 2011.
o. Op 31 oktober 2011 heeft [eiser] een beroep gedaan op zijn rechtsbijstandverzekering in verband met de weigering van Interpolis om de kosten van rechtsbijstand en de wettelijke rente te vergoeden bovenop de verzekerde som van de schadeverzekering inzittenden. In die brief heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de betreffende kosten van rechtsbijstand op basis van de rechtsbijstandverzekering of anders door Interpolis vergoed dienen te worden.
p. Stichting Achmea Rechtsbijstand heeft zich bij brief van 9 november 2011 op het standpunt gesteld dat Asselbergs & Klinkhamer zonder toestemming van de rechtsbijstandverzekering is ingeschakeld zodat de kosten van rechtsbijstand volgens de voorwaarden van de verzekering niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast is aangegeven dat het recht op rechtsbijstand is verjaard en dat het geschil met Interpolis te laat is gemeld.
q. Volgens Interpolis is EURO 927.218,00 aan [eiser] betaald, waaronder een bedrag van EURO 44.316,09 ten titel van buitengerechtelijke kosten. Volgens [eiser] is een bedrag van EURO 926.661,00 aan hem betaald waaronder EURO 43.759,00 wegens buitengerechtelijke kosten en kosten die gemaakt zijn voor de inschakeling van het Nederlands Rekencentrum Letselschade en kosten van medisch advies.