Conclusie
nietin de weg staat aan de directe actie van [verweerder] jegens de verzekeraar. Verder wordt mijns inziens terecht geklaagd over de toewijzing van de wettelijke rente
an sichin dit geval jegens de erfgenamen en Allianz, voor zover daar aan toegekomen zou worden, maar dat geldt niet voor de klacht over de vaststelling van de ingangsdatum daarvan (verondersteld dat in de schadestaatprocedure jegens de erfgenamen aan een wettelijke rentevordering zou worden toegekomen). Dat het hof Allianz ook op grond van art. 3:70 BW Pro aansprakelijk zou hebben gehouden, zoals in cassatie nog wordt aangevoerd, mist feitelijke grondslag, omdat zo’n oordeel volgens mij niet is gegeven.
rechtstreeksevordering van mijn cliënt op Allianz Nederland Groep N.V. is verjaard.
6. De uitspraak
2.Bespreking van het cassatiemiddel
action directe) op de verzekeraar toegekend in geval van schade door dood of letsel in art. 7:954 BW Pro [4] . De directe actie strekt ter bescherming van de belangen van de benadeelde en is daarmee een voorbeeld van slachtofferbescherming die bij aansprakelijkheidsverzekeringen een belangrijke rol speelt. De aansprakelijkheidsverzekering is namelijk al lang niet meer alleen een instrument ter bescherming van het vermogen van aansprakelijke personen, maar wordt ook gezien als waarborg voor daadwerkelijke vergoeding van slachtoffers [5] . Bij de verplichte WAM-verzekering met het
eigen rechtvan de benadeelde jegens de WAM-verzekeraar komt dat het duidelijkst naar voren, maar ook bij vrijwillige aansprakelijkheidsverzekering speelt het vergoedingsbelang van slachtoffers een steeds nadrukkelijker rol. Een voorbeeld daarvan is de problematiek rond de opzetclausule bij aansprakelijkheidsverzekeringen voor particulieren [6] .
ius agendi, de bevoegdheid om dit recht geldend te maken, komt dan aan de benadeelde toe [15] , de verzekerde kan dat dan niet meer zelf vorderen. Bij toepassing van art. 7:954 kan Pro de verzekeraar ook alleen bevrijdend betalen aan de benadeelde [16] . De benadeelde heeft op grond van dit stelsel zodoende de keuze om rechtstreeks de verzekerde aan te spreken, of juist de verzekeraar aan te spreken tot uitkering van hetgeen de verzekeraar jegens de verzekerde is verschuldigd onder de polis. De benadeelde kan ook allebei aanspreken, met dien verstande dat betaling door de één de ander ook bevrijdt [17] .
eigen rechtop schadevergoeding is toegekend. Zoals we hebben gezien, is art. 6 lid 1 WAM Pro is een voorbeeld van dit laatste. Deze uitsluiting bij eigen rechten is in de wetsgeschiedenis aldus toegelicht dat de benadeelde dan “(…) een bescherming krijgt die afwijkt van en ook verder gaat dan de bescherming die het onderhavige artikel biedt (…)” [22] .
ius agendibij toepassing van art. 7:954 BW Pro niet toekomt aan de verzekerde, maar aan de benadeelde, is er naast art. 7:942 BW Pro geen aparte verjaringsregeling nodig voor de directe actie [23] . De verjaringstermijn vangt aan op de dag volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden [24] .
ius agendi) [28] , [29] . Het hof erkent dit gevolg (“niet meer geldend kunnen maken van het eigen recht”) in rov. 5.11, maar verbindt hieraan de conclusie dat niet meer kan worden gezegd dat de wet [verweerder] een eigen recht op schadevergoeding toekent. Dat is volgens mij onjuist. Zoals wij zagen, is de materiële aanspraak het “eigen recht”. Dat is bij wet toegekend en bestaat nog steeds. Het eigen recht is in dit geval alleen niet tijdig geldend gemaakt en vervolgens een natuurlijke verbintenis geworden. Aan de toepasselijkheid van art. 7:954 lid 7 BW Pro lijkt mij dit niet zonder meer te kunnen tornen.
door de wetjegens de verzekeraar een eigen recht op schadevergoeding
is toegekend.” De ratio voor de directe actie ontbreekt dan, omdat het eigen recht een verdergaande bescherming biedt aan de benadeelde. Is sprake van een dergelijk eigen recht, dan is het wettelijk systeem zo dat er geen toepassing rest voor de directe actie [30] en de specifieke verjarings- en stuitingsregelingen voor het eigen recht van toepassing zijn. Anders gezegd in de procesinleiding in cassatie 4.5: “Door toepassing van de directe actie (…) uit te sluiten, heeft de wetgever bewust gekozen voor een systeem waarin de benadeelde niet kan kiezen tussen het uitoefenen van het eigen vorderingsrecht en de directe actie. Indien de wetgever aan de benadeelde een nóg verdergaande bescherming had willen toekennen, had hij de regelingen naast elkaar laten staan.” Het hofoordeel doorkruist dit door na verjaring van het eigen recht ruimte te geven voor de directe actie jegens de verzekeraar. Dat lijkt wetssystematisch ongelukkig, ook als bedacht wordt dat art. 7:954 BW Pro deel uitmaakt van afdeling 2 van titel 7.17 die in 2006 is ingevoerd met een regeling van de schadeverzekering in het algemeen. Daarvóór bestond de directe actie niet. Zou het bedoeling zijn geweest om de directe actie óók te laten gelden voor daarvóór al bestaande regelingen als de WAM, dan valt niet goed in te zien waarom het tweede deel van het zevende lid (uitzondering eigen recht) zou moeten worden opgenomen. De parlementaire stukken wijzen ook in de richting van de hier voorgestane uitleg. Art. 7:954 BW Pro geldt voor terreinen waar een aansprakelijkheidsverzekering
nietverplicht is, dus niet op het terrein van de verplichte WAM-verzekering. De ratio achter de korte verjaringstermijn uit de WAM, ten slotte, is de bijzondere aard van het eigen recht van de benadeelde, waarbij deze een aanspraak ontleent aan een overeenkomst waar hij geen partij bij is. Volgens de Toelichting is dan onwenselijk dat de verzekeraar geruime tijd na het ongeval nog kan worden blootgesteld aan claims op grond van art. 6 WAM Pro [31] . Eenzelfde ratio lijkt mij in mindere mate op te moeten gaan voor de directe actie, omdat de verzekeraar daar verweermiddelen die aan de contractuele relatie met de verzekerde ontspruiten ook aan de benadeelde kan tegenwerpen. Niettemin is de vraag of het stelsel dat het hof creëert wel wenselijk is met het oog op de rechtszekerheid, nu systematiek en toelichting naar mij voorkomt duidelijk in andere richting wijzen.
hen als erfgenamen, het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu [verweerder] in hoger beroep de hoogte van zijn vorderingen heeft beperkt tot de verzekerde som eventueel vermeerderd met rente en kosten die Allianz op basis van de polis en/of de wet hetzij rechtstreeks hetzij via de erven aan [verweerder] dient uit te keren (rov. 5.3) [37] . [verweerder] heeft gesteld dat hij met deze eisvermindering wil voorkomen dat de erfgenamen zelf financieel zouden moeten bijdragen aan de schadevergoeding die hij vordert [38] . Volgens de klacht kan deze eisvermindering niet anders worden begrepen dan dat [verweerder] heeft afgezien van enige veroordeling – dus ook voor zover het wettelijke rente betreft – van de erfgenamen die losstaat van het bedrag dat Allianz op basis van de polis en/of de wet hetzij rechtstreeks hetzij via de erfgenamen aan [verweerder] dient uit te keren. Bij (schriftelijk) pleidooi heeft [verweerder] dit aldus nader toegelicht dat zijn aanspraak op rente en kosten “niet ten laste van de erfgenamen” dient te komen en dat “dus uitsluitend wordt gevorderd wat Allianz moet/hoeft te vergoeden” [39] . Een separate veroordeling van de erfgenamen tot betaling van de wettelijke rente is hiermee volgens de klacht niet te verenigen.
Allianztot betaling van wettelijke rente, omdat het hof hiermee zou miskennen dat de verzekeraar op grond van de directe actie van art. 7:954 BW Pro slechts kan worden veroordeeld tot betaling aan de benadeelde wat aan uitkering op grond van de verzekeringsovereenkomst verschuldigd is [40] . Allianz heeft in appel betoogd dat een eventuele betalingsverplichting van haar jegens de erfgenamen is beperkt tot het restant van de verzekerde som [41] en dat verdraagt zich niet met een veroordeling van Allianz tot betaling van wettelijke rente die onafhankelijk is van het bedrag dat Allianz op grond van de verzekeringsovereenkomst met [betrokkene 1] moet uitkeren.
jegens de erfgenamen) komt het allereerst aan op uitleg van de rentevordering van [verweerder] , een uitleg die primair aan de feitenrechter is voorbehouden. Duidelijk lijkt mij hier dat [verweerder] alleen wettelijke rente van de erfgenamen heeft gevorderd,
voor zoverAllianz die rente aan hem of aan de erfgenamen is verschuldigd op grond van de wet of de polis. Het is immers zijn bedoeling om het vermogen van de erfgenamen te ontzien. Dat kwalificeert als een voorwaardelijke vordering. Is Allianz hier rente verschuldigd op grond van de polis of de wet? Zie ik het goed, dan is Allianz bij toepassing van de directe actie op zichzelf gezien als verzekeraar geen wettelijke rente verschuldigd aan [verweerder] nu Allianz geen debiteur is van hem, maar mogelijk wel op via de directe actie afgeleide wijze
aan de erfgenamenvan WAM-verzekerde/schuldeiser [betrokkene 1] van Allianz. De vraag of Allianz wettelijke rente is verschuldigd, is niet afhankelijk van de hoogte van de verzekerde som, maar in de eerste plaats van de vraag in hoeverre Allianz in verzuim is met betaling van de verzekeringsuitkering. Hierover heeft het hof niets vastgesteld. In rov. 5.41 overweegt het hof alleen dat de toewijsbaarheid van de rentevordering van [verweerder] volgt uit het feit dat niet is weersproken dat wettelijke rente is verschuldigd. Dat zegt niets over de kwestie of voldoende feiten zijn gesteld om verzuim aan de zijde van Allianz richting de erfgenamen van de WAM-verzekerde aan te kunnen nemen en of daarmee tot toewijzing van deze voorwaardelijke vordering kan worden gekomen [44] . Overigens is niet juist dat niet is weersproken dat wettelijke rente is verschuldigd, omdat [eisers] bij (schriftelijk) pleidooi als verweer hebben gevoerd dat de wettelijke rente niet vergoed hoeft te worden als daarmee de verzekerde som wordt overschreden (4.14, vt. 27 procesinleiding) [45] . Daargelaten de juistheid van die positie, is zodoende wel degelijk bestreden dat wettelijke rente is verschuldigd. Hoe dan ook kan in mijn ogen niet worden vastgesteld of aan de voorwaarde waaronder de nevenvordering tot betaling van wettelijke rente is ingesteld, is voldaan en het lijkt mij dan ook dat het hof in zoverre door toewijzing van de rentevordering jegens de erfgenamen inderdaad buiten de rechtsstrijd is getreden, zodat de klacht in zoverre volgens mij terecht is voorgesteld.
jegens Allianz) geldt min of meer hetzelfde: er is niet vast te stellen of Allianz in verzuim is jegens de erven van haar WAM-verzekerde, zoals in het vorige randnummer is betoogd. Wat er verder zij van de onderbouwing van deze tweede klacht, volgt uit de bespreking van de eerste klacht dan dat ook de tweede klacht in mijn ogen doel treft.
ingangsdatumis in feitelijke instanties niet gevoerd. Toch dient de rechter, ook voor toewijzing van wettelijke rente, ambtshalve na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen [64] . Per schadepost moet worden bekeken of toewijzing van de wettelijke rente per 9 augustus 2017 mogelijk is. Dat is het geval wanneer de schade is geleden/ontstaan voor 9 augustus 2017 en niet terstond betaling is gevolgd (gelet op art. 6:83 sub b BW Pro). Voor de hier aan de orde zijnde schadeposten geldt: