Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
.
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is gescheiden van zijn ex-echtgenote en heeft samen met haar een dochter. Na hun scheiding nam belanghebbende de zorg voor hun dochter op zich en werd hij hoofdhuurder van een woning waar ook zijn ex-echtgenote weer is ingeschreven sinds 2006. De ex-echtgenote betaalde een maandelijkse bijdrage aan de huur.
Belanghebbende deed aangifte inkomstenbelasting 2011 en claimde de alleenstaande ouderkorting. De inspecteur betwistte dit omdat uit gegevens bleek dat belanghebbende niet alleen met zijn kind, maar ook met anderen een huishouding voerde. Na bezwaar wees de inspecteur het beroep af.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-echtgenote. De verklaringen en bankafschriften boden onvoldoende bewijs dat de relatie tussen hen op zuiver commerciële basis was, zoals vereist volgens de Hoge Raad. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de aanslag terecht opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting blijft in stand.