ECLI:NL:HR:2012:BV2586
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- G. de Groot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling alleenstaande-ouderkorting bij huishouding met vriend van kind
Belanghebbende kreeg voor 2006 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag, maar het hof vernietigde deze uitspraak en bevestigde de aanslag.
De kern van het geschil betrof de toekenning van de alleenstaande-ouderkorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Belanghebbende voerde een huishouding met de vriend van haar minderjarige dochter, die meer dan zes maanden een kamer betrok en incidenteel bijdroeg in de kosten. Het hof oordeelde dat dit geen huishouding met uitsluitend kinderen betrof zoals vereist in artikel 8.15 lid 1 Wet IB 2001, omdat geen sprake was van een op zuiver commerciële gronden stoelende betrekking.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst erop dat het begrip huishouding in deze context niet aansluit bij de definitie in de Wet werk en bijstand. De bewijslast ligt bij de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat de relatie zuiver commercieel is. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.