Belanghebbende heeft een bouwvergunning aangevraagd voor een biogasinstallatie, waarbij de heffingsambtenaar leges heeft vastgesteld op basis van bouwkosten. Er ontstond een geschil over welke kosten tot de bouwkosten behoren, met name of de kosten van de GPP-Unit daarin meegenomen moeten worden.
De rechtbank heeft de definitie van bouwkosten uit de legesverordening en het normblad NEN 2631 toegepast. Volgens deze normen behoren alleen de kosten van installaties die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het bouwwerk tot de bouwkosten. De bio-ontzwavelingsinstallatie en overige installaties zoals transport- en regelinstallaties zijn essentieel voor de biogasinstallatie en vallen daarom onder de bouwkosten.
De GPP-Unit daarentegen is een bedrijfsmatige keuze die niet noodzakelijk is voor het functioneren van de biogasinstallatie. Daarom behoren de kosten van de GPP-Unit niet tot de bouwkosten en mogen deze niet worden meegerekend voor de legesheffing.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en het bedrag aan leges verminderd tot € 143.471. Tevens is de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.