Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam bij een Nederlandse vestiging van een internationale groep, werkte in 2011 gedurende 55 dagen in Duitsland. Hij vroeg aftrek ter voorkoming van dubbele belasting aan over het loon dat aan deze dagen toe te rekenen is. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat hij stelde dat de Duitse vestiging niet als materiële werkgever kon worden aangemerkt.
De rechtbank onderzocht of de Duitse vestiging van de groep als materiële werkgever kon worden beschouwd. Dit vereist een gezagsverhouding en dat de werkzaamheden voor rekening en risico van die vestiging zijn verricht. De rechtbank oordeelde dat de Duitse vestiging de opdrachtnemer was, direct leiding gaf aan belanghebbende en verantwoordelijk was voor het resultaat, waarmee aan de voorwaarden voor materiële werkgever werd voldaan.
Ook oordeelde de rechtbank dat de loonkosten van belanghebbende voor de Duitse werkzaamheden voldoende specifiek aan de Duitse vestiging waren doorbelast. Hierdoor had Duitsland het heffingsrecht over het loon voor de in Duitsland verrichte werkzaamheden, en moest Nederland aftrek verlenen ter voorkoming van dubbele belasting.
Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd met aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over € 34.012, en de inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Belanghebbende heeft recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over € 34.012 aan in Duitsland gewerkte dagen in 2011.