ECLI:NL:RBZWB:2014:5023

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2014
Publicatiedatum
21 juli 2014
Zaaknummer
AWB-14_574
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 2 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2012 gemeente HulstArt. 5 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2012 gemeente HulstArt. 6 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2012 gemeente HulstArt. 7 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2012 gemeente Hulst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd wegens niet zichtbare parkeervergunning

Belanghebbende parkeerde zijn auto op een locatie waar parkeerbelasting of een parkeervergunning vereist is. Tijdens een controle werd vastgesteld dat de parkeervergunning niet zichtbaar in de auto aanwezig was, wat een vereiste is volgens de vergunningsvoorwaarden. Hoewel belanghebbende in het bezit was van een geldige parkeervergunning, was het niet zichtbaar plaatsen daarvan in strijd met de voorwaarden.

De rechtbank overwoog dat op grond van de gemeentelijke verordening alleen geen parkeerbelasting verschuldigd is indien voldaan wordt aan de vergunningsvoorwaarden, waaronder zichtbaarheid van de vergunning. Nu deze niet zichtbaar was, was er geen rechtsgeldig parkeren met vergunning en moest belanghebbende de parkeermeter in werking stellen. Dit had hij niet gedaan.

Belanghebbende stelde dat hij de parkeerbelasting via de vergunning had voldaan en dat de controleur hiervan op de hoogte was, maar dit werd door de rechtbank verworpen. De naheffingsaanslag, bestaande uit parkeerbelasting en kosten van naheffing, is daarom terecht opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd omdat de parkeervergunning niet zichtbaar was geplaatst.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Procedurenummer AWB 14/574,
uitspraak van 17 juli 2014
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hulst,
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 20 december 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2014 te Breda. Aldaar is verschenen, namens belanghebbende, zijn echtgenote [A]. De heffingsambtenaar is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende heeft op 9 november 2013 zijn auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) op of omstreeks 13:17 uur geparkeerd aan [adres] te [woonplaats]. Deze locatie is aangewezen als plaats waar men tegen betaling van parkeerbelasting of met een parkeervergunning kan parkeren.
2.2.
Tijdens een controle op voornoemd tijdstip heeft de controleur geen vergunning of betaalbewijs in de auto aangetroffen. Als gevolg daarvan is aan belanghebbende de betwiste naheffingsaanslag opgelegd, bestaande uit € 1,30 aan parkeerbelasting en € 54,00 aan kosten van naheffing.
2.3.
Belanghebbende was in het bezit van een parkeer(schijf)vergunning die geldig was van 9 mei 2013 tot en met 8 mei 2014 (hierna: de vergunning).
2.4.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat de vergunning niet zichtbaar in de auto aanwezig was zoals is vereist op grond van de vergunningsvoorwaarden. Ook niet in geschil is dat belanghebbende op de hoogte is van de voorwaarden voor het gebruik van de vergunning.
2.5.
Belanghebbende heeft - zakelijk weergegeven - gesteld dat hij de parkeerbelasting wel heeft voldaan via de vergunning en dat de controlerende ambtenaar daarmee bekend is.
2.6.
Op grond van artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet kunnen in het kader van de parkeerregulering belastingen worden geheven ter zake van (i) het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze en (ii) ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
2.7.
In artikel 2 van Pro de ‘Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2012’ van de gemeente Hulst (hierna: de Verordening) staat het volgende vermeld:
“Belastbaar feit
Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen geheven:
een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.”
2.8.
Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Verordening wordt de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, geheven bij wege van voldoening op aangifte. Ingevolge artikel 6, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, van de Verordening, is de belasting ter zake van een verleende vergunning verschuldigd en moet die belasting worden betaald op het moment waarop de vergunning wordt verleend.
2.9.
Ingevolge artikel 9 van Pro de Verordening bedragen de kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, € 54,00.
2.10.
In artikel 10, vierde lid, van de Parkeerverordening 2012 van de gemeente Hulst is de verhouding tussen de beide in artikel 2 van Pro de Verordening genoemde belastingen (zie 2.7) geregeld. Volgens deze bepaling is de belasting ter zake van het parkeren op een daartoe aangewezen plaats (dat is de in artikel 2, letter a van de Verordening genoemde belasting) niet verschuldigd
“wanneer aan de eigenaar of houder van het voertuig een vergunning is verleend voor het parkeren op de desbetreffende categorie parkeerapparatuurplaatsen, het voertuig duidelijk is voorzien van een vergunning en niet gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden”.
2.11.
In artikel 7 van Pro de Vergunningsvoorschriften van de gemeente Hulst is het volgende bepaald:
“Bij gebruik van de parkeerschijfvergunning dient deze van buitenaf compleet (parkeervergunning en parkeerschijf) en volledig lees- en zichtbaar achter de voorruit te worden geplaatst. Het parkeren zonder een geldige parkeerschijfvergunning dan wel met een niet complete parkeerschrijfvergunning wordt aangemerkt als het parkeren zonder parkeerschijfvergunning. Dit betekent dat een eventuele naheffingsaanslag die om deze reden wordt opgelegd, terecht is.”
2.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Parkeerverordening 2012 hoeft ter zake van het parkeren alleen dan geen parkeerbelasting betaald te worden indien de eigenaar van de auto een vergunning heeft én voldaan wordt aan de vergunningsvoorwaarden. Eén van de voorwaarden voor het rechtsgeldig parkeren met een vergunning is dat de vergunning lees- en zichtbaar in de auto wordt geplaatst. Vaststaat dat dat in het onderhavige geval niet is gebeurd. Als gevolg daarvan is niet voldaan aan de voorwaarden die aan de vergunning zijn verbonden en is geen sprake van rechtsgeldig parkeren met die vergunning (zie Hoge Raad, 17 december 1997, nr. 32 834, BNB 1998/46 (ECLI:NL:HR:1997:AA3336)). Derhalve faalt het beroep van belanghebbende dat hij de parkeerbelasting al via de vergunning heeft voldaan. Dat houdt in dat hij alsnog parkeerbelasting verschuldigd is, zoals bedoeld in artikel 2, letter a, van de Verordening. Nu vaststaat dat hij die niet heeft voldaan (belanghebbende had de parkeermeter immers niet in werking gesteld), heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Dat de controlerende ambtenaar, volgens belanghebbende, ermee bekend is dat belanghebbende in het bezit is van een parkeervergunning maakt dit oordeel niet anders.
2.13.
Gelet op het vorenstaande is juridisch beoordeeld het gelijk aan de heffingsambtenaar en kan de rechtbank niet anders dan het beroep ongegrond verklaren.
2.14.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2014 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.