ECLI:NL:RBZWB:2014:5325

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juli 2014
Publicatiedatum
28 juli 2014
Zaaknummer
AWB-14_177 tussenuitspraak
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbBesluit Fiscaal BestuursrechtHoofdstuk IV, paragraaf 6 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing behandeling wegens schending hoorplicht bij naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

Belanghebbende is houder van een personenauto waarvan het kenteken in meerdere perioden was geschorst. Ondanks de schorsingen maakte belanghebbende op 10 juli 2013 gebruik van de weg met de auto. De inspecteur legde daarop een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een vergrijpboete op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag en boete.

De rechtbank constateert dat belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, terwijl dit volgens het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel had moeten gebeuren. De inspecteur heeft nagelaten contact op te nemen nadat belanghebbende niet op een uitnodiging reageerde, wat een schending van de hoorplicht oplevert.

Omdat partijen van mening verschillen over de feiten en er sprake is van een boete, is belanghebbende door het niet-horen benadeeld. De rechtbank past de bestuurlijke lus toe en schorst de behandeling van de zaak. De inspecteur krijgt acht weken de tijd om belanghebbende alsnog te horen en te berichten of dit leidt tot wijziging van de uitspraken op bezwaar.

De tussenuitspraak is op 25 juli 2014 gedaan door rechter M.M. de Werd en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: De behandeling van de zaak wordt geschorst en de inspecteur krijgt de gelegenheid belanghebbende alsnog te horen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Procedurenummer AWB 14/177
uitspraak van 25 juli 2014
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Centrale administratie
de inspecteur.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van de inspecteur van 10 januari 2014 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de gelijktijdig met de aanslag opgelegde vergrijpboete van € 1.920 (aanslagnummer [aanslagnummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

1.Beslissing

De rechtbank schorst de behandeling van de zaak.

2.Gronden

2.1.
Belanghebbende is vanaf 7 december 2007 houder van een personenauto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De auto heeft een massa van 2.296 kilogram en gebruikt diesel als brandstof. In de volgende perioden was het kenteken van de auto geschorst in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6 van de Wegenverkeerswet 1994:
  • 3 september 2012 tot 22 januari 2013
  • 13 februari 2013 tot 18 april 2013
  • 18 mei 2013 tot 11 juli 2013 en
  • 16 september 2013 tot 6 december 2013.
2.2.
Belanghebbende heeft op 10 juli 2013 met de auto gebruik gemaakt van de weg. Omdat het kenteken van de auto op dat moment geschorst was, is met dagtekening
18 november 2013 aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode 20 september 2012 tot en met 19 september 2013. Tevens is een boete opgelegd van 100%. De naheffingsaanslag bedraagt, evenals de boete, € 1.920. In de uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 192.
2.3.
In geschil zijn de naheffingsaanslag en de boete.
Formeel
2.4.
Belanghebbende heeft gesteld dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Volgens paragraaf 12 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (tekst 2013, hierna: het Besluit) ligt het initiatief voor het horen van belanghebbende bij de inspecteur. Indien de belanghebbende niet reageert op de uitnodiging, neemt de inspecteur volgens het Besluit contact met hem op. Tot de stukken van het geding behoort de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift. Hierin staat dat belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord op haar verzoek. Niet gesteld of aannemelijk is geworden dat de inspecteur - bij uitblijven van een reactie van belanghebbende - contact met haar heeft opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daarmee niet gehandeld overeenkomstig paragraaf 12 van het Besluit, zodat sprake is van schending van de hoorplicht.
2.5.
Belanghebbende heeft gesteld dat zij in een hoorgesprek feiten had kunnen aandragen. Uit de stukken van het geding volgt, dat partijen van mening verschillen over de feiten. In dat geval is naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende door het niet-horen benadeeld. Dit klemt temeer nu sprake is van een boete.
2.6.
Artikel 8:51a Awb bepaalt dat de rechter het bestuursorgaan in de gelegenheid kan stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen (bestuurlijke lus). De rechtbank zal de inspecteur in de gelegenheid stellen belanghebbende alsnog volgens de regels te horen. De rechtbank zal hiervoor een termijn stellen van acht weken na dagtekening van deze uitspraak. De inspecteur dient de rechtbank te berichten of hij alsnog overgaat tot het horen van belanghebbende en, bij bevestigende beantwoording, of het hoorgesprek reden is voor wijziging van de uitspraken op bezwaar.
2.7.
De rechtbank schorst de behandeling in afwachting van nadere berichten van de inspecteur.
Deze tussenuitspraak is gedaan op 25 juli 2014 door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: