Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de waardebeschikkingen van 5 magazijnen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en de daarbij behorende aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2013. De heffingsambtenaar had de waarde van de magazijnen vastgesteld met de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij vergelijkingsobjecten werden gebruikt waarvan alleen verkoopprijzen bekend waren.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de waardering van de magazijnen weliswaar te laat was ingediend, maar dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar was. Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat de huurwaardekapitalisatiemethode bruikbaar is indien vergelijkbare objecten en voldoende gegevens aanwezig zijn. Echter, omdat van de vergelijkingsobjecten geen huurprijzen bekend waren, was het meer voor de hand liggend om de waarde te bepalen op basis van de verkoopprijzen van die objecten.
De rechtbank vond de vergelijkingsobjecten geschikt en voldoende vergelijkbaar met de magazijnen. De verkoopprijzen lagen hoger dan de gehanteerde waarderingen, waardoor niet kon worden gesteld dat de waarderingen te hoog waren vastgesteld. De heffingsambtenaar was daarmee in zijn bewijslast geslaagd en het beroep werd ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en griffier M.J. van Balkom op 6 augustus 2014.
Uitkomst: Het beroep tegen de waardebeschikkingen voor de magazijnen wordt ongegrond verklaard en de waarderingen worden gehandhaafd.